Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. geestelijke wereld. Wel is poëzie thans een staat van conventie ; de tegenwoordige beschaving heeft, zonder dat men hare groote voordeden behoeft te miskennen, toch de vatbaarheid voor eene hoogere, bovennatuurlijke wereld ons ontnomen, ons de vleugelen ter verheffing uitgeplukt en ons opgesloten in den engen, zielsbenauwenden kooi van een wereld en stand, in welke wij ons vreemd voelen ; ze heeft zelfs onze geheele dichterlijke taal verdrongen en van natuur doen veranderen, door de krachtigste uitdrukkingen, die op de bezieling aller voorwerpen gegrond waren, tot bloote Jij/uren en spreekwijzen te maken, waarbij men iets anders denkt en verstaat, dan men zegt en men (zoo men waarlijk dichter is) niet nalaten kan te gevoelen. Wie buiten den gewonen en afgezaagden tiguurstijl gaat en warm in zijne uitdrukkingen wordt, geldt het koud, het ondichterlijk, het van God afgevallen geslacht dezer eeuw als een dweeper, en zijn taal als ongerijmdheid.

Maar de mensch, voor verheffing vatbaar, de dichter kan in zulk een engen kring niet ademen, hij streeft dien met geheel zijn ziel te buiten, hij eischt eene wereld boven deze rampzalige nietigheid, waar wij met het lichaam in gebonden liggen. «Daar is geen dichter, dan voor zoo veel hij zich eindloos boven deze wareld gevoelt, buiten deze wareld leeft en bestaat, in eene geheel andere denkt, begeert en geniet, en zijne denkbeelden uit verhevener, uit onstoflijke vlam en licht, scheppen kan". 1) De dichtkunst is dan ook geen spruit van de aarde, maar eene gave, een aanblazing Gods, een teelt der hemelzalen. Wel is zij, evenals de taal, door de zonde verbasterd en ontaard ; maar toch, ook nu nog woont zij in het voor de hoogere wereld ontsloten hart, en heiligt en loutert de snoodc boezems, in welke zij als manna van omhoog nederdaalt. 2)

Mijn vrienden, ja, gewis, zij is geen spruit van de aarde, De dichtkunst, die ons blaakt; zij is van hooger waarde; Zij, boven stof en wolk en lucht en ethervloed ln Hemelvuur geteeld, van Hemelvuur doorvoed.

Zij zijgt den mensch in 't. hart met d' adem van ons leven. Door haar gevoelen we ons aan 't nietig ons ontheven, Der Almacht nader, en de toekomst doorgevoerd.

Dan kent des dichters hart de Godheid, die hem roert; Dan roept hy siddrend uit, zichzelf en de aard onttogen :

1) Taal- en Dichtk. Versch. 1 191—194. 2) Dichtw. V. 360.

Sluiten