Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fijne, diepe gevoel voor de kunst ook hebben moge, toch is het vergeefseh, dat de zang in zachte golving vloeie en het warme hart van 't vuur der geestdrift gloeie, indien de verbeelding ontbreekt. Zij zelve moet door liet hart bevrucht worden, maar is dan op haar beurt een welige aar, een vruchtbre moederschoot, waaruit

dat nieuw heelal ontsproot Waarin, op vleuglen van zijne almacht rondgedragen, De dichtgeest zwiert en zweeft met Godl\jk zelfbehagen En warelden vol glans hervoort roept uit heur graf! 1)

ln een enkel couplet vat Bilderdijk al zijne gedachten over het wezen der poëzie kort en krachtig aldus saam, als hij in zijne Kunst der Poëzy de dichters toespreekt:

Ja, uw künstkracht is gevoelen,

Juist gevoelen, met een hart,

Dat, wat drift het door moog woelen,

Nooit het helder brein verwart.

Dat in vollen gloed aan 't vlammen,

Met zyn vlam verbeelding ziedt,

Dat zij dijk doorbruischt en dammen,

En door star en melkweg schiet. 2)

Oorsprong en wezen bepalen ten slotte het doel der poëzie, gelijk dat van alle kunst, 's Dichters gevoel, zoo zegt Bilderdijk, is hem alles ; aan dit wederstaat hij niet. Dit te genieten, dit uit te breiden, dit mee te deelen, is al zijn bestemming; hij kent geene andere, voor hem is geene andere mogelijk 3). De dichter zingt niet om brood of geld, om eer of roem 4); ook beoogt hij niet, de natuur tot voorbeeld te nemen en haar na te volgen 5j. Maar hij zingt, omdat hij zingen moet ; het werk zijns harten is eene behoefte zonder doel. Van zichzelf getuigde Bilderdijk :

Ik stort mijn boezem uit, als 't vinkjen in de abeelen,

En vraag niet, wien mijn stem kan streelen,

Maar vier behoefte bot. Mijn dichtkunst is gevoel,

En, 't zy uit eigen bron gevloten,

Of, uit eene andre bron mijn' boezem ingegoten,

Ik zing en ken geen ander doel. 6)

1) Dichtw. XII 188. 3) Dichtw. VII 80. 3) Taal- en Dichtk. Versch. I 11. 4) Dichtw. XIII 246. 5) Dichtw. VII 77. XII 264. 6) Dichtw. XII 109, 264.

Sluiten