Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eu zoo omschreef hij het doel der Dichtkunst telkenmale. Poëzie is ontlasting van 't gemoed 1), ze is eene behoefte van 't gevoel, dat den band ontsprongen is en door geen geweld zich bedwingen laat, behoefte aan doortocht in lijden en genieten 2), uitstorting des gevoels 8), waarbij voor de vraag : waartoe, geen plaats overblijft:

„Waartoe toch dat eindloos zingen uit een heeschgeworden strot? „'t Wekt geen aandacht maar verveling en vergaart slechts hoon en spot. „Rust, o Zanger, op uw lauwren ; rust! uw Lente ging voorbij ; „'t Is de tijd der bontekraaien, 't is het stille jaargetij'.

„Om den sneeuwvlok op uw schedel ruischt geen adem van Zefier. „In 't gebrom der Winterbuien heeft het vinkjen stem noch tier. „Zwijg, ja zwijg!" —Neen, laat hij zwijgen, wien geen adem meer doorzweeft, Wien de zang niet ruischt door de aadren, hart en boezem niet doorstreeft. Hij wien Poëzy bëhoefte, ziel, en levensadem was,

Rust die van zijn ademhalen eer zijn lichaam keert tot asch ?

Waarom ruischt het murmlend beekjen ? waarom vloeit het stroomnat af? Waarom zuist het popelboschjen, 't geen de Lente schaduw gaf? Waarom bruischt het ruim der golven op het blazen van de lucht? Waarom heft de maagdeboezem van nog onbekende zucht?

Waarom klatert, gromt, en dondert de op elkaar gedrongen wolk ? Waarom bromt de holle weerklank uit de diepte van de kolk ? Waarom schreit de droefheid tranen, en ontfronselt zich de vreugd ? Bleekt de schrik het blozend aanschijn, de ouderdom de glans der jeugd? — Vraagt d' ondichterlijken slechthoofd wien de dichtgloed nooit doo-drong, Die zijn vingers op de dichtlier naar ontleende lessen dwong,

Wien de poëzy der Englen niet uit eigen ader welt,

Wien zijn boezem slechts door d' invloed van verhitte hersens zwelt, Vraag dien onder 't sylbentellen, onder 't zoeken naar een woord,

Naar een denkbeeld, naar een beeltnis, in zijn barenswee versmoord, Waarom zingt gij ? Maar men vrage 't aan geen dichter van natuur, Wiens gevoel een loutre vlam is, geen in de asch vervonklend vuur! Deze zingt niet voor een wareld, die, tot enkel slijk verlaagd, 't Engelaartig Hemelsche uitdooft, dat zij tegenwreevlend draagt, Die de borst voor hooger wareld, voor den geest der waarheid sloot, En, met opgeblazen waanzucht, zich tot 's Hoogsten smaad vergoodt. Wij, wij zingen wijl wy leven, maar voor de onverlaten niet,

Wien geen Hemelgeest door de aadren, Poëzy door 't harte, vliet. En, wat kan ons dan verschelen, nachtegaals in 't cederloof,

Of er raven tegen knarsen uit een dorre steenrotskloof! 4)

Maar dan, als de dichter zingt uit behoefte, zingt wijl hij leeft,

1) Dichtw. XII 192, 261. 2) Dichtw. VII 77. 3) Taal en Dichtk. Versch. I 10. 4) Dichtw. XII 253.

Sluiten