Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Gevoele u in 't geschokte hart!

Het ween', het lach', het gloei', het üze Naar dat uw zangtoon dale of rjjze,

Of zink' in onbeweegbre smart!

Het haat', het minn', het zett' zich open,

Het krimp', naar 't onweerstaanbre nopen Der geessel, daar uw hand meê zweept,

En hebb' gevoel, noch wil, noch leven Dan die 't uw zangtoon weet te geven,

Die 't in zijn golving medesleept! 1)

Met deze overstorting des gevoels in anderen, welke der poëzie niet als een wet van buiten opgelegd wordt, maar haar van nature eigen is, hangt ook ten nauwste het einddoel saam, dat Bilderdijk menigmaal aan deze kunst stelt. Wijl de poëzie een telg des hemels is, op geen aarde geboren, aan geen stofklomp eigen, maar een hooger geestenrijk tot haar vaderland heeft 2), heft ze allereerst den dichter zeiven tot eene andere, hoogere, heilige, geestelijke wereld op. Echte poëzie is niet,

dan te ontblaken Van heilig vuur; zich zelv' aan aarde en stof te ontschaken En op te stijgen in verrukking. 8)

Hetgeen den dichter maakt, is, d' aardschen dampkring uitgeschoten, het aardrijk met den voet te stooten 4). En daartoe heeft hij een koninklijken moed van noode. Niet alleen gevoel en verbeelding, maar ook heldenmoed is een vereischte van den echten dichter. Dezelfde moed, die dwinglandkluisters breekt, verheft den dichter 't hart, die Heendengodspraak spreekt 5). In zijn Ode aan Napoleon stelt Bilderdijk de dichters met de stichters van ontzachbre rijken op ééne lijn :

Wie durft door 't bruischend hart gedreven,

Op Pindarus' verheven baan,

Door stormen en orkanen zweven,

En lachen val en afgrond aan ? —

Op 't klappren van zijn zwanenschachten Het aardrijk onder zich verachten,

Verzinken zien in 't peilloos niet;

En, tier op eeuwige lauwrieren Den eerkrans door een hand versieren Die geen verwelkbre bloemen biedt ?

1) Dichtw. VIII 106. Verg. VIII 179, 180. 2) Dichtw. VII 119. 3) Dichtw. V 360. 4) Dichtw. IX 18. 5) Dichtw. VII 199.

Sluiten