Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als gelijken naast elkaar op aarde bestonden, is een hersenschim en een loutere abstractie. Alles leert ons, dat zoodanig iets nooit plaats heeft gehad of kon hebben. Alle zedelijk besef brengt ons tot een eerste mensehenpaar terug, man en vrouw, uit wier onderlinge verbintenis kinderen voortkwamen, en die de eerste grondstam des menschdoms zijn. Deze twee werden door hunnen aart tot eenstemmigheid en geen oorlog gebracht, en hun verscheidenheid van maaksel, lichaams-en geestkracht en bestemming, stelden hen vanzelven in eene onderlinge betrekking, waarin zeer verschillende afzonderlijke neigingen, bekwaamheden en driften de naauwst mogelijke vereeniging en vereenzelviging zoodanig inrichteden, dat hunne coëxistentie geen conflict, maar loutere harmonie met zich bracht. En de voortbrenging der kinderen kon in of door deze ook wederom geen conflict doen ontstaan. Als het mannelijk gezag in den echt, is het vaderlijk gezag in het huisgezin heilig en nooit betwist geworden, eer de afdwaling van den natuurstaat valsche leerstelsels van recht en plicht voort deed komen, die 't onheil des menschdoms maken. De vaderlijke, in hare wederkeerigheid hoogst ongelijke betrekking kan niet miskend, en 't gevoel van die niet verdoofd worden. Dit gezag van man en vader, dat dus van den oorsprong af gegeven was, handhaaft dan in het gezin den vrede en de samenstemming, en houdt alle ongelijk en geweldpleging werkeloos.

Kinker heeft op deze redeneering van Bilderdijk in het slot van zijne verhandeling over het Natuurrecht, eene scherpe critiek geoefend, omdat hij haar in strijd achtte met het beginsel, dat Bilderdijk in het eerste en voornaamste deel van diezelfde verhandeling aangenomen had. Eerst toch was Bilderdijk uitgegaan van de onderstelling, dat alle menschen van nature gelijk waren en gelijke, oneindige rechten hadden ; thans zegt hij, dat er nooit eene gelijkheid onder de menschen heeft bestaan, dat het gezag van man en vader oorspronkelijk is. In het eerste deel van zijne verhandeling betoogde Bilderdijk, dat behoefte de grondslag is van rechten en plichten, en thans leidt hij deze af uit het gezag, uit de door God gewilde betrekkingen van den mensch als lid van een familie en van een maatschappij. Eerst was een blind gevoel van behoefte, nu is eene dwingende maatschappij de bron van het recht. Het een is met het ander, volgens Kinker, in lijn-

Sluiten