Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is en wortelt in de onderscheiden natuur van man en vrouw, dan is het ook geen geld- of staatscontract 1), maar eene zalige, heilige, Godgeheiligde verbintenis, die de kronen der koningen, den gloed van het purper, de schittering van het goud, de vreugdetnalen der weelde verre terug doet wijken, die het stof verengeit, de aarde verhemelt, die niet de handen slechts, maar de harten samensluit. En ook dat is nog te weinig gezegd. Geen harten, hetzelfde hart neemt beider boezem in,

Eén saamgesmolten hart vervult u, Echtelingen,

En door geweld noch dood van één of los te wringen,

Maar neen, ook dit zegt niets. Men klinkt geen twee tot één; Men maakt door 't smeltend vuur het wezen niet gemeen, 't Wordt sameninengsel, 't wordt verbinding in zijn deelen; Slechts schijnbaar is 't geheel, bij 't innig soortverschelen.

Neen, dat is de Echt niet, waar het een het andre wijkt, En mengling van gevoel eenzelvigheid gelijkt;

Waar worstling, en bedwang, en wederzijdsch verdrukken, Den wil door wil verkeert, den wil voor wil doet bukken. Het echte huwlijksjuk kent strijd noch evenaar;

Maar één, éénzelfde ziel vervult het minnend paar.

Om deze eenheid is het huwelijk monogamisch, een band die in de eeuwigheid voortduurt, een spiegel Gods, een beeld van Zijn wezen 2), grondslag van staat en maatschappij :

Vergaan zij, die u haten,

O Keten, goudener dan 't fijnst gezuiverd goud,

Verband der maatschappij, en, menschdom, uw behoud!

Aan u hangt volk en staat; de toekomst die 'tverzwelgen Van 't rype heden boet door nieuw ontsproten telgen, En 't vluchtig oogenblik op dees verganklijke aard Tot eeuwigheden vormt, steeds uit zichzelf herbaard. 3)

De Burgerstaat is dan ook niet anders, volgens Bilderdijk, dan een voortduring bij uitbreiding, of wel een herstel, van de samenleving onder het vaderlijk gezag, dat of door een algemeenen vader geoefend of, waar deze ontbreekt, ondersteld wordt. Het recht van zulk een gezag in den staat bestaat, hiermede in overeenstemming, daarin, dat het de uit haar aard vrije daden der leden van het huisgezin ten genieenen nutte des huisgezins (waaronder de huisvader zelf mede begrepen is) bestiere en doe aanwenden.

1) Dichtw. XIII 200. VII 132. 2) Dichtw. VII 126, 129,141. XI170. 3) Dichtw. VII 131.

Sluiten