Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grens voor de macht van den vorst; als deze worden aangetast, is wederstand geoorloofd. In de verhandeling over het Natuurrecht komt eene uitspraak voor, die nog opmerkelijker is. In den burgerstaat kan men sommige rechten afstaan aan het gezag, bijv. den rechtsdwang aan den genieenen rechter, opdat deze dien uitoefene ten behoeve van den gerechtigde of beleedigde. Het bestaande gezag heeft nu, even als de vader in het gezin, den plicht, om de vrije daden der leden van het huisgezin ten gemeenen nutte te bestieren en te doen aanwenden. Doch, zoo eindigt Bilderdijk dit gedeelte van zijn betoog, het is door zich zelfs klaar, dat het bestaande gezag dan ook in staat moet zijn, die verdediging of dat herstel te verleenen, dat de beleedigde of verongelijkte vorderen mag: en dat in gevallen, waar dat geen plaats kan hebben, de afstand waarvan wij hier spreken, niet gerekend kan worden geschied te zijn 1).

Deze uitspraken toonen, dat Bilderdijk niet zoo absolutistisch was als hij gewoonlijk scheen te zijn. Maar ze zijn niet verder door hem uitgewerkt. In zijn tijd achtte hij het veel meer roeping, om tegen het andere gevaar, dat der volkssouvereiniteit, de waarschuwende stern te verheffen. De rechten van het volk werden naar zijne overtuiging genoegzaam gewaarborgd, wanneer zij op de eene of andere wijze — maar op welke wijze, zegt Biderdijk niet — aan Voogd of Staatsverzorger in het hart werden geprent, en voorts den Vorst een Raad van ervaren mannen werd toegevoegd, die hem bezwaren en wenschen deed verstaan :

Neen 'k ben geen menschenslaaf. 'k Eer de Almacht in mijn Koning;

Geen masker, beeld of schim, geen ijdle schijnvertooning; —

Geen speeltuig van een Volks- of Filosofengril; —

Geen beuklaar voor een rot dat onderdrukken wil:

Geen bulhond, wien, die 't zoekt, mag leiden bij de keten; —

Maar heerscher onder God, verbonden door 't geweten,

Die bijraad vordren mag, bezwaar en wensch verstaan,

Maar handlen, vrij als God, en niemand onderdaan.

Een Vader, wiens belang, wiens eerzucht en verlangen,

Met heel zijn talrijk kroost onscheidbaar samenhangen,

Die Vaderlyk verzorgt en Vaderlijk gebiedt,

En wien 't erkentlyk kroost met kindrenhart ontziet! 2)

Het ideaal voor een volk bestaat daarin, dat het onder zijn

1) Verhandelingen bl. 91. 2) Dichtw. XII 226. XIV 182.

Sluiten