Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII.

GESCHIEDBESCHOUWING.

De beginselen, waarvan Bilderdijk uitging, leidden hem ten slotte ook tot eene gansch andere beschouwing van de geschiedenis, dan die in zijn tijd de heerschende was. Bij het rationalisme met zijn codex van onveranderlijke, natuurlijke waarheden in godsdienst, zedelijkheid en recht kon de historie met haar rijke afwisseling en onophoudelijke verandering niet tot haar recht komen. Eigenlijk is heel de historie niets anders dan een afval van de oorspronkelijke natuur ; en het rationalisme was zoozeer van de waarheid zijner eigene grondstellingen overtuigd, dat het al het valsche, dat daartegenover stond, niet anders dan door willekeur en bedrog verklaren kon ; het miste allen historischen zin. Rousseau zag in de geschiedenis met al hare beschaving slechts eene degeneratie van het menschelijk geslacht, en wilde haar geheel van nieuws aan laten beginnen. En Lessing, ofschoon in zijne Opvoeding van hel menschelijk geslacht diepere gedachten ontwikkelend, stelde toch de toevallige historiewaarheden en de noodwendige redewaarheden, het Christendom en de religie van Jezus scherp en dualistisch naast elkaar.

Het spreekt vanzelf, dat Bilderdijk zich in zulk eene beschouwing, die alle hoogere leiding en diepere beteekenis der historie miskende, niet vinden kon. En even begrijpelijk is het, dat hij geen behagen kon scheppen in het optimisme van Leibniz, in de opvatting der geschiedenis als eene paedagogie der menschheid tot zedelijke volmaaktheid (Kant) of tot humaniteit (Herder). Noch de utilistische, noch de aesthetische natuur- en geschiedbeschouwing had de instemming van zijn hart. Monistisch, uit één enkelvoudig principe, was noch de natuur noch de geschiedenis te verklaren. Veeleer waren

Sluiten