Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daardoor werd de godsdienst en godsvrucht in de Christenlanden ondermijnd, drong een gruwzaam zedebederf en gcdrochthjke ongodisterij in de kerk binnen en maakte zich zelfs van liet middelpunt en den hoofdzetel der kerk meester 1). De paus stelde zijn gezag wel tegenover den keizer, maar leidde dit ten onrechte van Christus af, want het blijkt, dat dit ex post facto uitgedacht werd en een bloote glimp was. Want anders had men de gehcele hoedanigheid van den keizer moeten verwerpen en afschaffen, zoo wel als het sprookje van de twee zwaarden. Maar nu liet men Christus 111 den hemel en stelde zich in perpetuum willekeurig oj)perregeerder der kerk, en voegde daar zelfs de beschikking over hemel, hel en vagevuur bij 2).

Daardoor werd hervorming der kerk noodzakelijk. De lloomsche kerk nam tegenover de Reiorniatic cenc verkeerde houding aan. Zij zag het gevaar niet in, veronachtzaamde Lutlier te winnen en gaf door velerlei nieuwigheden, dwaasheden en onzinnigheden vat op zich. Ze leed daardoor eene geweldige afbreuk, maar bleef hare aanspraak op de heerschappij handhaven. Zoo zijn er thans twee kerken, de Rootnsche en de Protestantsche (want op onderverdeelingen komt het niet aan), die elkander over en weer verdoemen en voor anti-christelijk uitschelden, maar van wederzijde gelijk en ongelijk hebben 3).

Want ook de Hervorming ging niet vrij uit. In zoover zij de kerk geestelijk en zedelijk, in leer en leven en eeredienst hervormen wilde, had zij zonder twijfel recht van bestaan, en van de zijde van Rome op erkenning en tegemoetkoming aanspraak. Maar toen dit niet gebeurde en Rome op den verkeerden weg voortschreed, toen moesten de Hervormers een beginsel aannemen, om de verkeerdheden in de Roomsche kerk te bestrijden, dat eindelijk geheel het Christendom moest afbreken, gelijk de tijd ook geleerd heeft. Ook zij dachten niet aan Christus' algemeene macht in hemel en op aarde. Het Chiliasme, dat deze algemeene macht als toekomstig beschouwde en dus erkende, werd

ware beter geweest, als de uitsluiting d<>r Christenen van het onderwijs in Grieksche en Latijnsche letteren, door Julianus geboden, volkomener en voortdurend gewerkt had; dan ware het Christendom zuiverder gebleven en op geene Platonische of Aristoteliaansche grondslagen opgebouwd, waardoor het ontaarden moest. Brieven V 95. Opstellen II84. Verhandelingen bl. 157, 158. 1) Opstellen II 103. 2) t a d 107 3) t. a. p. bl. 102. '

Sluiten