Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Der Eeuwen zwangre schoot ontsluit!

De Vorst der Vrede daalt. Buigt neder Gy Volken! Vorsten buigt en legt uw scepters af!

't Is Jezus, dien gij wacht, gij hebt uw Heiland weder,

o Aarde, o menschdom ; ja knielt neder,

Hem is de roem, de kracht, met aarde- en hemelstaf. 1)

Deze troostrijke verwachting, die in den laatsten tijd Bilderdijks hoofd en hart meer en meer vervulde, oefende op de teederheid en ruimte van zijn gemoed een weldadigen invloed. De invectieven tegen de Roomsche kerk stieten hent als een kind reeds tegen de borst 2). II ij keurde het af, dat de predikanten altijd absolute predikten tegen de Roomsche kerk en weet dit aan hun theologie, die niet. louter Christendom is, maar polemisch Protestantisme, dat is Anticatholicisme 3). Ofschoon hij erkende, dat Rome vele dwalingen leerde, waaronder er zijn die ons moeten doen gruwen en die na Trente bepaald als tot haar wezen behoorende zijn aan te merken, gevoelde hij toch eene aandoening voor deze wieg des Christendoms, waarin zoo vele eeuwen het heiligend zielebrood bewaard is geweest 4). Den overgang tot Rome keurde hij echter beslist af 5) en zelf heeft hij er nooit aan gedacht; wat Bilderdijk op Rome tegen had, betrof niet enkele ondergeschikte punten, maar den grondslag der Roomsche kerk zeiven, n.1. de leer van den vrijen wil, van de wederstandelijke genade, van de verdienstelijkheid der goede werken, van de aanroeping der heiligen, van de pauselijke onfeilbaarheid 6). Hij zag verwantschap tusschen ongeloof en bijgeloof, tusschen Arminianisme en Romanisme 7), en verwachtte, dat de afvallige

1) Dichtw. IX 244. XI 191. 2) Brieven IV 109. 3) Opstellen II84. 4) Opstellen II 83. 5) ibid. 6) Zie de beide geschriften van Bilderdijk : Een Protestant aan zgne Medeprotestanten, Amsterdam 1816. Aan de Roomsch-Katholyken dezer dagen, door een Protestant, Leyden 1823. 7) Brieven IV 58 zegt Bilderdijk, dat Vondel en velen met hem van Gereformeerd Remonstrantsch en daarna Roomsch zijn geworden. En dit is natuurlijk. „Want zoodra de zaligheid aan onzen vrijen wil hangt (de vrije wil of zijn determinatie is dan noodwendig een menschelijke daad), hangt zij aan onze daden of werken, en deze moeten dan de zaligheid geven. Maar geven zij de zaligheid, zoo zijn zij verdienstelijk ; en die verdienstelijkheid hebben dan ook gemeene, gewone Christenmenschen in hunne gewone menschelijke deugden. Maar wat doen dan de Heiligen met dat meerdere, dat zij boven hetgeen de zaligheid geeft verdienden, waarvoor zij geen loon ontfangen kunnen, omdat de zaligheid met minder betaald wordt? Hiervan schenken zij hun recht en doen 't over aan die gebrekkig in goede werken zijn en 't verlangen. Zie daar derhalve de aanroeping der heiligen gegrond!"

I

Sluiten