Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeggen aan eene gemeenschap, waar Jezus niet in het midden is, maar menschelijke dwaasheid het woord voert, en hij hield daarbij de Herstelde Luthersche kerk ten voorbeeld 1). In 1823 sprak hij wel in zijn gedicht Aan den Koning den wensch uit, dat, al moest deze als vorst aller recht beschermen en Christen en Deïst, Priester en Rabbijn hem even waard zijn, hij toch, als lid van Hollands kerk, zuiverheid van leer zou eischen in ieder, die als prediker in die kerk optrad, en de kerk bij hare rechten beschermen zou 2). Maar zijne verwachting is in dezen niet groot geweest. Want in November van datzelfde jaar schreef hij aan Capadose, dat het in de Nederlandsche kerk, gelijk die thans bestaat, niet te doen zou zijn, om de aanhangers van het Socinianisme en Deïsme eenvoudig als Onchristenen uit de kerk te sluiten. Zulk eene uitsluiting ware alleen te verkrijgen in den weg eener afzondering als die van Vijgeboom. Maar indien zulk eene afzondering slechts door een klein hoopjen geschiedt, geeft zij gelegenheid tot het opkomen van andere, hetzij kettersche, hetzij zedelooze bijeenkomsten en aanhangen, waar de tegenwoordige eeuw, bij de algemeene zwakheid van hersenen, zeer vatbaar voor is. Een nauwer verband met de Herstelde Luthersche kerk van Amsterdam zou, kon het te weeg gebracht worden, het beste middel zijn. Doch wat helpen overleggingen, zegt Bilderdijk ten slotte, 't is in de Goddelijke hand van onzen Heer en Koning, en die zal de zaak hare wending geven ! 3)

Bij deze laatste gedachte legt Bilderdijk zich steeds geruster neer. Van een voornemen, om zich af te scheiden, is er bij hem nooit eenig spoor te ontdekken. Het bovengenoemd adres uit het jaar 1810 werd eerst na zijn dood in het licht gegeven en de raad, daarin voorkomende, had noch op zijn eigen gedrag noch op dat zijner vrienden eenigen invloed. Zijne eigenlijke overtuiging sprak hij veel duidelijker uit in een brief uit het jaar 1822, die na zijn dood het licht zag, en waarin de volgende woorden voorkomen: „Daar behoort eene zekere innerlijke roeping bij, om (met verlating van de bloote betrekking als leek) als Hervormer op te treden, en waarlijk ik gevoel mij den man niet, die zoodanig met buitengewone gaven van omhoog bevoorrecht zou zijn, maar een eenvoudig (schoon ijverig) Christen, die aan 1) Opstellen II 52, 53. 2) Dichtw. IX 166. 3) Brieven V 76, 77.

Sluiten