Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. Door de woorden verschijnende personen in art. 25 en 26, moeten klaarblijkelijk alleen worden verstaan de zoodanige personen te wier verzoeke eene acte wordt opgemaakt, die daarbij als belanghebbenden verschijnen of zich tot een of ander einde verbinden, en geenszins al de zoodanigen, met welken de notaris ter gelegenheid eener acte, in eenige aanraking komt en voor welken hij notaris veeleer gezegd zou kunnen worden te verschijnen, aan hen zijne tegenwoordigheid opdringende, dan dat zij als voor den notaris verschijnende zouden kunnen worden aangemerkt.

Ook de geschiedenis der Wet levert het bewijs op, dat deze in genoemde artikelen gebezigde woorden ter vervanging strekken van het woord partijen, in art. 27 en 28 van het eerste ontwerp gesteld; welk woord sommige leden van de tweede kamer der Staten-Generaal verlangden, dat zou worden vervangen door comparanten, en dat derhalve, de comparanten of de verschijnende personen geene andere zijn, dan die, welke men gewoon was, volgens de wet van 25 Ventöse IX partijen te noemen;

Eene andere en zuivere opvatting dezer woorden zou in sommige gevallen tot ongerijmde, en soms ook tot voor de notarissen onmogelijk na te leven gevolgtrekkingen moeten leiden.

Air. 2» Jan. 184H, v. i». II. li. R. IX 253. N'. R. XWII1 $ 82, 407. K. U. X 114, T. v. K. V 139. Corr. XIII 38. Vookendonk |>. 92, S. v. K. 124 (3edr.i; bev. Rb. Alkmaar 28 Oot. 1847, waarbij is verstaan, dat du niet vermelding van hot aan den notaris liekeml zijn, ot' der bekendmaking door getuigen, van liet beroep enz. van den persoon met wien de not. ter gelegenheid van het doen eener acte van wisselprotest hoeft gesproken, geen overtreding oplevert van art. 25 en 26.

In denzelfden zin: Arr. 6 Oot. 1848 N. R. § 39, 197, R. en VV. VI 395, T. v. R. V 140, Corr. XVI 53, v. i>. H. B. R. X 71, S. v. E. p. 145 (2e dl-.), p. 126 (3o dr.); bev. Rb. Alkmaar 25 Mei 1848, waarbij de nict-voruielding in eene acte van boedelbeschrijving van het bekend zijn van den deskundige, die de begrootiiig der goederen deed, alsmede de niet-vermelding van de voorlezing der aete aan dien deskundige, geen overtreding van art. 25 en 30 is genoemd. Vgl. in denzelfden zin Res. 5 Aug. 1844 n". 151 en 26 Febr. 1845 n". 23, vernield sub art. 30 aant. 1.

— Miss. 27 Sept. 1870 n°. 86. Res. 8 Oot. 1870 ii". 48 I'. VV. 5839, W. N. A. 82 R. VV. v. N. 127: art. 25 is overtreden, wanneer in de akte voorkomen de woor-

Sluiten