Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Het zou oene uitbreiding van het artikel zijn, welke, ook met het oog op art. 37 niet kan geacht worden door den wetgever bedoeld te zijn, art. 28 ook van toepassing te verklaren voor het geval, dat de notaris niet zelf de hoeveelheid of hoegrootheid of dagteekening uitdrukt, maar in zijne acte alleen aanhaalt of overneemt, wat in andere aeten, die in de zijne worden beschreven, is uitgedrukt of vermeld.

Arr. lli Eebr. 1877 VV. 4106, v. d. H., G. Z. XXX 305, P. W. 6477, W. N. A. 423, B. W. v. N. 296, 8. v. E. 197 (2e dr.); verti. Kb. Sneek 30 Nov. 1876 I. \V. 6477, VV- A. 368, R. VV. v. N. 286: ook dun is vermelding der dagteekening met letters noodig, wanneer de acte boadende bewaargeving eener onderhandsche acte, ter beschrijving dier onderbandscbe den letterlijken inhoud opneemt en daarin de dagteekening in cijfers voorkomt: cf:

Kb. Arnhem 2 Nov. 1885 VV. 5310, 1'. VV. 7242, VV. X. A. 830, K. VV. v. N. 541 : art. 28 onderscheidt niet, waaruit de uitdrukking is ontleend, zoodnt de bewering, dat de getallen ter bepaling der hoegrootheid of hoeveelheid daarom in cijfers zijn vermeld, omdat zij zijn overgenomen uit een zgn. „Transcriptionsbuch" niets voor de toepassing van art. 28 afdoet; eveneens niet do bewering, dat de aanhaling der grootte van de perceelen achterwege had kunnen worden gelaten, omdat het artikel uitdrukking in cijfers gebiedt, waar, noodig ot onnoodig, de getallen worden gebruikt ter bepaling o. a. van de hoegrootheid der zaken.

— Dec. 18 Sept. 1845 no.98,Miss.l2 Nov. 1845 no. 63, Dec. 9 Dec. 1845 no. 92. PW'. 1/1846 no. 96, R.en VV. 111144, T. v. R. I 109. Corr. VI 34, S. v. E. 196 (2e dr.). 156 (3e dr.): aan den eiseh der wet wordt niet voldaan, wanneer de hoegrootheid der goederen, welke in de acte worden vermeld, ieder op zich zelf in ejjfers aangewezen, en slechts het bijeengetrokken totaal in schrijfletters wordt uitgedrukt, daar toch de wet de verplichting oplegt omtrent alle 'te!allen, tor bepaling van de hoeveelheid of hoegrootheid der zaken, en er op dit algemeene voorschrift geeu uitzondering kan worden toegelaten, tot welke de wet geen aanleiding geeft.

5. He artikelen 12 en 24 van het Besluit van den Souvereinen Vorst van 22 December 1814 S. n°. 113 beveelt alleen, dat alle aeten tot verrichtingen bij het Grootboek moeten ingericht worden naar zoodanige formulieren bij het Grootboek verkrijgbaar gesteld, maar geenszins, dat die aeten op geen ander zegel zouden mogen worden geschreven dan die, waarop het formulier is gedrukt.

Rb. Zutfen 14 Juli 1887 1'. VV. 7486, VV. X. A. 919, R. W. v. N. fill, ook veriu. sub art. 34 aant. 5.

Sluiten