Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WET Ol' HET NOTARISAMBT. AKT. 80.

I. De man, die ten overstaan van den notaris compareert om zijne vrouw bij te staan en te machtigen, is in den zin van het artikel verschijnend persoon te noemen ; bovendien is de enkele daadzaak, dat hij de acte door zijne handteekening helpt bekrachtigen voldoende om den notaris te verplichten van deze onderteekening in het slot der acte melding te maken.

Rb. Breda 7 Juli 1857, vermeld sub art. 28 aant. 3.

— Res. 5 Aug. 1844 no. 151 I'. \V. 1/1845 p. 35, K. en W. I 271, Corr. IV 35, T. v. K. I 100 no. 27, S. v. E. 145 (2e dr.t: de bieders bij openbaren verkoop van onroerende goederen kunnen eerst dan onder de verschijnende personen worden gerangschikt, wanneer hun bod wordt aangenomen, of in het geval, dat hun zekere belooning onder den naam van strijkgelden of wjjnpenningen worden toegekend, in het algemeen in die gevallen, dnt zij, zich jegens de verkoopers hebbende verbonden, belanghebbenden bij de acte zij" geworden of door hunne daad zekere rechten tegen de verkoopers of koopers hebben verkregen; derhalve moet het proces-verbaal, waarbij aan den hoogsten inschrijver en iederen opbieder zekere belooning wordt toegekend, inderdaad

''•oor lleze mede worden onderteekend en gelden ten hunnen aanzien de artikelen 25 en 26.

^ £'• ovt'r ('e vraag wie onder verschijnende personen moeten verstaan worden het aang. sub art. 25 aant. 1 en art. 26 aant. 1.

ï. De notaris is niet verplicht te onderzoeken of de verklaring van partij niet te kunnen teekenen of daarin verhinderd te zijn al of niet overeenkomstig de waarheid is.

Prov. Hof Noord-Brabant 26 Mei 1868 W. 4212, YV. N. A. 419,421,424 450; vern. Hl». Breda 18 Deo. 1866. Vgl. ook het aanget. sub art. 1 aant. 8.

Miss. 16 Jan. 1865 no. 195, Kes. 31 Jan. 1865 no. 42 1'. W. 4681, Corr. \ I 285: de wet is niet overtreden, wanneer van twee comparanten, die beide dezelfde bij art. 26 vermelde qualiticatiën hebben, de notaris aan het slot deiacte heeft vermeld, dat zij slechts door één was onderteekend, terwijl de andere

dat niet kon, zonder verdere aanduiding van den comparant die hier werd bedoeld.

3. De wet bepaalt niet in welke woorden of wnar de vermelding der voorlezing in de acte moet plaats hebben, terwijl de beslissing van liet aangevallen arrest „dat de tegenwoordigheid der getuigen bij de voorlezing van den uitersten wil vóór de afvraging uitdrukkelijk is vermeld in meer dan één trek van de acte en zeer duidelijk is ïiitge-

Sluiten