Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merkt als vallende in de termen van de vorige zinsnede van het art., waar voor enkele waarschuwing de raadkamer is bevoegd verklaard; eene eerste schorsing toch wordt in art. 57 bepaaldelijk eene straf genoemd, en ook al kon eene schorsing niet als eene straf worden beschouwd, zoude echter de macht om te kunnen schorsen bepaaldelijk aan de raadkamer moeten zijn opgedragen, daar de bij uitzondering aan haar opgedragen macht niet kan worden uitgebreid. Daar de straffen van schorsing en afzetting naar buiten werken, als hebbende het publiek groot belang de bevoegdheid van den not. tot het passeeren van akten te kennen, behooren de daaraan voorafgaande handelingen noodwendig in het openbaar plaats te hebben en de vonnissen daaromtrent openljjk te worden nitgesproken : vern.

Kb. Zwolle 23 Hopt. 1857 \V. 2020, T. v. 11. XII 143: de aard van deze bestraffing als disciplinair verandert niet, wanneer er ten derden male aanleiding tot berisping bestaat, waarbij niets afdoet, dat bij het derde lid van het art. niet wederom is melding gemaakt, dat deze berisping in raadkamer moet geschieden, wat eene noodelooze herhaling in één en hetzelfde art. zoude zijn, en evenmin, dat bjj eene derde berisping de Rechtbank bevoegd is om eene schorsing uit te spreken, welke echter in casu bij dagvaarding niet gevorderd wordt, als kunnende zulks evenzeer door de Rb. bjj beschikking, in raadkamer vergaderd, geschieden; ook daarom kan art. 54 niet worden toegepast, omdat daarbij sprake is van een hooger beroep en het ondenkbaar is van eene berisping in hooger beroep te komen, evenals het ongerijmd zoude zijn eene berisping bij volmaoht te ontvangen, zoodat de Off. v. Just. den not. niet ter openbare terechtzitting had moeten roepen en hij niet ontvankelijk moet verklaard worden in zijn requisitoir tot het hooren van getuigen ten fine van verdere vervolging van het ten laste gelegde.

In gelijken zin :

Plet art. draagt eene discretionaire macht aan de Arr. Rechtb. op, ten eenenmale onderscheiden van de vervolging tot straf bij art. 54 geregeld; van toekenning van hooger beroep, dat in gelijksoortig geval wordt toegelaten bij art. 11 van 't Regl. van orde en discipline voorde advocaten, is hier niet in het allerminst sprake, zoodat dit ook niet bestaat.

Arr. (raadkamer) 14 Nov. 1862 N. R. LXXI1 § 24, 189, v. i>. H. G. Z. XIX 361, N. N. V 117; bev. Pr. Hof N. Brabant 30 Sept. 1862 P. W. 4465, R. W. v. X. 1, Corr. I 100: de ingevolge art. 50 aan de Rb. toegekende discretionaire rechtsmacht wordt uitgeoefend buiten allen vorm van proces en zonder vervolging, requisitoir of andere medewerking van het Op. Min., dan het ter kennis brengen der feiten, welke naar zijn oordeel aanleiding tot berisping zouden

Sluiten