Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WET OP HET X0TARTSAM1VT. ARTT. 54—55.

Arr. 2 Juni 1842 W. 300, N. R. XII § 24, 70, v. <i. II. B. R. III 393, T. v. B. III 413: vern. Hof Zeeland 5 April 1842, R. B. IV 353, hetwelk in appel over oene not. overtreding had rechtgesproken met 6 leden.

)| De wet kent de beperking niet, dat alleen straf haar zij n die overtredingen der wet, welke met de akte zelve kunnen blijken en door de ambtenaren des registratie ter kennis van het Op. Min. zijn gebracht, maar uit art. 54 blijkt, dat zij behalve door en uit de akte zelve, ook op alle andere bij het W. v. Sv. aangeduide wijzen kunnen worden bewezen, terwijl de verplichting, bij art. 59 aan de ambtenaren der registratie opgelegd, de bevoegdheid van het Op. Min. tot vervolging ambtshalve niet vermindert, zooals uit den aard der zaak volgt en in de Mem. v. Toel. uitdrukkelijk was te kennen gegeven.

Rb. Groningen 11 Juni 1886 W. 5363, I'. W. 7398, R. W. v. N. 571, ook verui. sub art. 25 uant. 2.

Vgl. het aanget. sub art. 37 aant. 8, art. 40 aant. 4, art. 59.

4. Het art. is algemeen en betreft niet alleen de overtredingen van die wet zelve, maar klaarblijkelijk ook alle vervolgingen, bij die wet als mogelijk verondersteld, terwijl, als uitzondering op die behandeling in het openbaar door den burgerlijken rechter, bij art. 50 tweede gedeelte eene behandeling in raadkamer der Rb. wordt toegelaten, wanneer geen bepaalde straften bij die wet zijn vastgesteld.

Prov. Hof Overijsel 9 Nov. 1857, verm. sub art. 50 aant. 1.

Vgl. - ton betooge dat ingevolge art. 69 W. v. Sr. de boete wegens de overtredingen der Wet Not. Ambt niet op de erven van den delinquent kan worden gevorderd — Miss. 10 Mei 1887 n". 26 P. W. 7488, verm. sub art. 36 aant. 10.

Art. 55.

De regtsvordering tot schorsing van eenen notaris in de uitoefening zijner bediening, tot afzetting of tot veroordeeling in geldboeten ter zake van overtredingen dezer wet, en in de gevallen daarbij voorzien, za! zijn verjaard na verloop van twee jaren,

Sluiten