Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uil. Middelburg '25 Sopt. 1X44 W. 542, N. 1$. XXIV I* 75, 341 R. B. VII :>!13, T. v. It. IV '283: uit het proces-verlia al van den verkoop blijkt niet dat de notaris als gemachtigde heelt verkocht ol' ook als gemachtigde met de eventueele koopers is overeengekomen omtrent tijd en plaats van betaling, maar integendeel consteert uit hetzelve, dat de notaris, schoon ten verzoeke van anderen, echter zeil' als notaris een en ander heelt gedaan en overeengekomen, waaruit volgt, «lat ook hij alleen en bij uitsluiting van anderen gerechtigd is als notaris te vorderen de nakoming der overeenkomst tusschen hem als verkoopcr en den kooper aangegaan.

Kb. Maastricht '21 Juni 184!» W. 1077. T. v. II. IV 283: de notarissen enz. zijn jegens den verkooper, die dikwijls bij den verkoop niet eens tegenwoordig is, voor den koopprijs aansprakelijk en zijn gerechtigd den koopprijs dadelijk ol' contant te vorderen, welk recht zij niet verliezen wanneer zij aan den kooper uitstel tot betaling vergunnen.

Gf. Kb. Maastricht 10 April 1851 W. 1200. ld. 7 Kebr. 1856 W. 1771, II. en W. XI 470, N. It. LVIII Jj 82, 423, T. v. R. XI 359, P. W. 2881. ld. 1!» Fehr. 1874 W. X. A. '225, W. 3723, II. W. v. N. 206, '208.

Ilb. Arnhem '24 April 1884 W. N. A. 755. K. VV. v. X. 550: art. 5 van bet Edict van Kebr. 1771 — opgenomen in het bij Keizerlijk Deer. van 8 Nov. 1810 hier te lande executoir verklaarde Arrêté van 27 Nivöse V, hetwelk bij art. 8, Wet Xot.Ambt als in verband met de Wet van Pluvióse nog altijd van kracht is — bepaalt uitdrukkelijk, dat de daar genoemde juréspriseurs-vendeurs «recevront les deniers provenant des dites ventes», terwijl het niet is aan te nemen, dat de wetgever, die de bedoelde ambtenaren aanwees om de kooppenningen te innen hun, waar op crediet werd verkocht, de rechtsmiddelen zou hebben geweigerd om tot die inning te geraken.

Rb. Amersfoort 17 Kebr. 1858 W. 1998 1». W. 3217, T. v. R. XIII 121 : uit de Kransche edicten van Oct. 1096, Febr. 1771, de wetten van 1790 en 1793, de arrètés van Kructidor en Nivöse volgt dat de oflicier public niet als lasthebber maai' zelf de verkooping houdt en verantwoordelijk is voor den koopprijs, zoodat liij ten zijnen pericule crediet geeft en bij wanbetaling op eigen naam vervolgt;

deze strekking der Wet van Pluvióse blijkt mede uit de weinige formaliteiten voor de processen-verbaal voorgeschreven, waarbij niet eens de namen ol onderteekening der koopers of verkoopers wordt gevorderd en overbodig is, ofschoon niet verboden; bev. dooi- Hof Utrecht 26 Juni 1858 W. 2018, T. v. R. XIII 132.

Rb. Zierikzee '22 Sept. 1891 W. 0209. Rb. Rotterdam 29 Juni 1874 verm. in aant. 8.

Sluiten