Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lih. Ti el 12 Oct. 1894 W. 6605, I'. W. «lil.'): de akte opgemaakt volgens deze wet heeft niet de strekking om tusschen partijen bewijs op te leveren; zoodanige akte niet door den kooper geteekend voldoet niet aan art. .51 Wet Nut.Ambt en heeft derhalve tegenover deze geen bewijskracht.

Hb. Amersfoort <i Dee. 1854 W. 1627, 1'. W. '2880, N. II. I. S T. .v. lt. IX 344, X 131: de strekking der proc.-verb. is uitsluitend het belang der schatkist, doch de wetgever heeft nimmer de bedoeling gehad, de ambtenaren de bevoegdheid toe te kennen voorwaarden en overeenkomsten, tusschen den verkooper en kooper aangegaan, te constateeren, noch om aan hunne, door partijen niet onderteekende en niet erkende akten, tusschen dezen, de kracht van volledig bewijs in rechten te geven, daar zoowel het een als het ander niet te pas kwam bij dadelijke levering en betaling van het verkochte.

Kt gr. Nijkerk 31 Maart 1868 W. 3013, R.W. v. X. 23, li. en W. XX 451: al kan aan het proc.-verb. liet karakter van authentieke akte in het algemeen niet worden ontzegd, die authenticiteit kan niet worden uitgestrekt tot de verbintenissen der koopers noch tot hetgeen verder in het proc.-verbaal buiten den eisch en de bedoeling des wetgevers mocht zijn geconstateerd.

S. v. E. (3e dr.) 379: het proces-verbaal opgemaakt volgens deze wet is geen authentieke akte.

'i. Ook hierom mag de authenticiteit van het proc.-verb. niet verder worden uitgestrekt dan tot datgene waarvoor die exceptioneele vorm van not. akte is voorgeschreven, omdat bij bedoelde verkoopingen de koopers verbonden worden niet jegens den eigenaar maar jegens den verkoopenden ambtenaar zeiven, zoodat deze zich zeiven door middel van zijn proces-verbaal een schriftelijken titel tegenover de koopers zou kunnen verschaften;

waartegen niets afdoet dat, in casu zijn in acht genomen al de vormen en vereischten voor een not. akte voorgeschreven, daar dan art. 21 Wet Not.Ambt zou gelden.

Hb. Maastricht 12 Oct. 1882. W. 4845, W. N. A. 688,1'. v. J. 1883,42, K. W. v. N. 464, X. H. B. 1884 A 194; bev. door Hof 's Bosch 20 Maart 1883 W. 4883, 11. W. v. N. 468, X. H. li. 1884 A. 197, W. N. A. 698, wat betreft liet bovenstaande, doch vern. voor zoover de Hechtb. getuigenbevvijs niet had toegelaten, daar in dit geval wel art. 1940 li. W. moet worden toegepast.

Cf. Rb. Maastricht 24 April 1879 W. 4436, W. X. A. 523, R. W. v. X. 363.

Hb. 's Bosch 27 Febr. 1863 P. W. 4394, T. v. R. XVIII 246: luidens den

Sluiten