Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

proces-verbaal is een authentieke akte en levert misdien ook volledig bewijs op ten aanzien van de daarin als koopers vermelde personen.

Ktgr. Appingadam 22 April 1854, W. 1009: het proc.-verb. levert ook zonder onderteekening' van den kooper, volledig bewijs op voor hetgeen daarin staat vermeld, in casn wat betreft de domiciliestelling ten huize van den verkoop.

Niet zoover als laatstgemeld kantongerecht gaan:

lih. Nijmegen 13 Oct. 1843, R. H. IV 181, S, v. E. (2'' dr.) 468: uit art. 5 volgt wel uit den aard der zaak en implicite, dat de processen-verbaal ingevolge deze wet opgemaakt, als authentieke akten kracht van bewijs in rechten bezitten om daar te stellen, niet alleen dat al de daarop als toegewezen vermelde voorwerpen voor de uitgetrokken prijs zijn verkocht, maar ook, dat dezelve zijn gekocht door de als koopers aangeteekende personen, maar de bevoegdheid der ambtenaren, als zoodanig, kan zich niet verder uitstrekken dan tot het constateeren dier daadzaken; om als authentieke akte te kunnen gelden, voor de overeenkomst van borgstelling daarbij aangegaan, moet zij zijn opgemaakt volgens de vormen van de notariswet.

— Sol. 9 Aug. 4860, no. 86, P. W. 3590: de authenticiteit van het proc.-verb. geldt alleen voor zoover zij de bij deze wet bedoelde handeling van den openbaren ambtenaar, bepaaldelijk voor zoover zij den openbaren verkoop constateeren ; zij strekt zich dus niet uit tot al wat buiten het feit der openbare toewijzing ligt, in casu de volmacht, welke blijkens het proc.-verb. door den verkooper aan derden verstrekt is.

Cf. Hes. 20 Sept. 1860 no. 23, 1'. \V. 3591.

6. Indien onderscheidene verkoopingen in ééne aangifte begrepen zijn (zie sub. art. 2 aant. 2) behoeft aan het hoofd van elk proces-verbaal alleen datgene overgeschreven te worden, wat tot elke verkooping betrekking heeft.

Hes. 8 Oct. 1849 no. 4, P. W. 1210.

ï. De inzate of voorloopige opprijsstelling is niet een „procéder a une vente," zoodat het afschrift der declaratie niet aan het hoofd van het proc.-verb. van inzate behoeft te worden geplaatst, aangezien zulks niet bij de wet is bepaald en daarin onbekend is en ook geheel doelloos is, daar voor een zoodanige inzate geen registratierecht is verschuldigd.

lib. Zwolle 1 Üec. 1852, P. W. 1883, S. v. E. (2e dr.) 479.

Sluiten