Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongens en 21 % der meisjes, die het aangegeven zouden hebben, noemen dit als reden.

2. Slecht gedrag — het zou ongepast, laag en huichelachtig zijn het niet te zeggen. Deze reden staat in nauw verband met de eerstgenoemde en wordt door 22 % der jongens en 15 % der meisjes opgegeven.

3. Ter vermijding van achterdocht: 3% der jongens en 51/» % der meisjes zouden de schuldige aangegeven hebben, omdat zij wenschten te voorkomen, dat de verdenking der onderwijzeres op een onschuldige zou vallen. 49 % der jongens en 4lVa% der meisjes steunen hun grond voor de aangifte meer of minder op persoonlijke opvatting.

De vraag wordt door 15 °/0 der jongens en 22°/0 der meisjes van het standpunt van den onderwijzer opgevat.

1. Gehoorzaamheid. De kinderen waren verplicht de onderwijzeres te gehoorzamen; dit wordt verklaard door 11% der jongens en 16V2% der meisjes.

2. Het recht van den onderwijzer het gewaar te worden. Slechts 1 % der jongens en 1 % der meisjes geven dit als reden op.

3. Het aanbrengen kan in sommige gevallen te verdedigen zijn. Deze groep van kinderen schijnt de meening toegedaan, dat het in het agemeen niet goed is te klikken, maar dat het ongepaste geheel vervalt zoodra de onderwijzer vraagt en 3 % der jongens en 4 % der meisjes zijn van oordeel, dat het billijk ware geweest te spreken toen de onderwijzeres vroeg.

18% der jongens en 20 u/0 der meisjes gaan van de schuldige zelf uit 1°. Hare ongehoorzaamheid. Men had haar bevolen niet te lachen en ze was niet gehoorzaam geweest. Ze moest dus aangegeven worden. 12% der jongens en 13% der meisjes oordeelen aldus. 2°. Hare lafheid. Ze had zichzelven moeten aangeven, en daar ze

Sluiten