Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt ons niet vergund. Waren wij nog alleen op de wereld, het zou misschien nog gaan. Maar ons geliefd: „doe wel en zie niet om" — een spreuk, tusschen haakjes, die de Chineezen gedurende eeuwen en eeuwen zonder succes hebben toegepast! — gaat bier niet op, omdat wij de erfenis van onzen gouden eeuw hebben aanvaard en genoten. Wij sleepen een reusachtig koloniaal rijk achter ons aan, en het welzijn van dertig millioen menschen, aan wie wij ons als heerschers en geestelijk—meerderen hebben opgedrongen, is van onze energie, onze wijsheid, onze rechtvaardigheid, ja, onze belangeloosheid afhankelijk!

Dat is eene ontzaglijke taak! Te ontzaglijk, volgens velen. Gelukkig, dat zij niet opeens op onze schouders werd gelegd. Met de uitbreiding van ons Nederlandsch-Indisch grondgebied, of liever mèt de uitbreiding onzer contróle over de inboorlingen, groeide onze verantwoordelijkheid geleidelijk aan. Op eens vóór het geval gesteld, is men geneigd te vragen, waar een kleine staat als de onze de grenzenlooze arrogantie vandaan haalde om van uit het op duizenden mijlen afstands gelegen moederland het beheer van een reuzenrijk als dat van onzen Oost te willen voeren, om er het wel en wee van millioenen, ons vreemd in afkomst, taal en levensbeschouwing, van onzen souvereinen wil afhankelijk te stellen! Maar niet dan gedwongen en niet dan voetje vóór voetje hebben wij ons voor zulk een taak gesteld gezien. Onze handelsgeest dreef ons naar gene zijde van den aardbol en zocht en vond er de schatten van het Oosten en om ons hiervan blijvend te verzekeren, moesten wij

Sluiten