Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den vaderlijken gedachtengang uitgaande, dat de inlander als het nationale pleegkind moet worden aangemerkt, en, buiten staat is, om voor zichzelf te zorgen, en diensvolgens door een beschermende hand moet worden geleid. Want — zoo redeneerde men — onnoozel en hulpbehoevend, verkwistend en goedgeloovig als dit kind maar al te vaak is — zou het geen Chinees of Arabier op zijn weg kunnen ontmoeten, of het zou geplukt, gefopt, geëxploiteerd worden!

Dit nobele standpunt — dat eenigszins vreemd aandoet, als men bedenkt, hoeveel wij ons zeiven ten aanzien van exploitatie van dezen oeconomisch en psychisch zwakkere zouden kunnen verwijten ! gold echter niet uitsluitend bij het voorzien in deze moeilijkheid. Een practischer overweging was hier in het spel. De zucht om complicaties te vermijden, om het vlot functioneeren van de staatsmachine te bevorderen, door dit zoo eenvoudig mogelijk te maken. Hoe meer de taak der ambtenaren zou worden gespecialiseerd, hoe meer toezicht noodig zou wezen, hoe verscheidener de elementen waren, waarmee door hen rekening zou moeten worden gehouden — des te meer ambtenaren zouden noodig blijken. Dus speelde ook hier de dubbeltjesquaestie een voorname rol!

Deze bezwaren kunnen ten huidigen dage niet meer als voldoende zwaarwichtig gelden, om het bestaan dezer belemmeringen te rechtvaardigen. Men ziet, ook al weert men den Oosterschen vreemdeling uit de desa, den inlander niet minder blootgesteld aan kwade praktijken van lieden, die sluwer en ener-

Sluiten