Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Langzaam maar toch in toenemende mate vermeerderen in de 46e eeuw de bezoeken der Europeanen aan China. Sinds in 1496 de Cabot's hun tocht naar Cathay ondernamen, verschijnen andere Portugeesche zeevaarders en Spanjaarden aan de Oostkust. Later volgden Hollanders en Engelschen. In het midden der zestiende eeuw maakten drie der laatsten een exploratie-reis over land naar China en bereikten Bokkara. Een halve eeuw later werd een Jezuiet, Goës, naar China afgevaardigd met de bijzondere opdracht om te onderzoeken, of het oude Cathay der Nestoriaansche geestelijken hetzelfde was als China, door de Portugeezen van den zeekant bereikt. De geleerde reiziger bracht het tot Suh-Chow, op China's Westgrens. Hier bezweek hij, ziek en uitgeput, maar niet voordat hij de destijds door velen aangehangen meening, dat Cathay en China verschillende landen aanduidden, afdoende had weerlegd.

Omstreeks dezen tijd gaf Koningin Elizabeth aan de Londensche kooplieden Allen en Bromfield, die zich met drie schepen naar Indië zouden begeven, een brief aan den Keizer van China mee, waarin zij deze lieden aanbeval. Die brief bereikte hare bestemming nooit. De drie schepen door Sir Robert Dudley uitgerust en bekostigd, vergingen met man en muis.

In 1600 verleende Elizabeth een charter aan „The Governour and Company of Merchants of London, trading into the East Indies", en in 1604 gaf JacobusI aan Sir Edward Michelborne vergunning tot den handel op Cathay, China (zij golden dus hier nog als afzonderlijke landen), Japan, Korea en Cambodja. Maar

Sluiten