Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men ziet uit deze keizerlijke woorden, welk een diep — en, laat ons eerlijk zijn, begrijpelijk — wantrouwen voortaan de gedragslijn der Chineesche regeering tegenover de wereld der Westerlingen moest beheerschen. Teekenachtige woorden, waartegen, objectief beschouwd, bitter weinig te zeggen viel! Alleen een tot Christen bekeerd Keizer zou anders hebben gesproken. Hoe scherp sarcastisch is zijne vraag: wat zoudt gij er van zeggen, als ik een bende bonzen en lama's naar Uw land zond, om er hunne leer te prediken? Inderdaad heeft China nooit veel gevoeld voor eenige propaganda en met nuchteren blik schijnt het het betrekkelijke in al wat leerstellig is op te merken. De leer van Confucius, die omtrent het toekomstig lot der zielen geen enkele suggestie waagt en er in berust, vóór den gesloten deur van het Hiernamaals te staan, zonder van gejaagdheid of angst, zonder zelfs van nieuwsgierigheid blijk te geven — is den Chinees van nature bevattelijker dan eenige andere en zoo kunnen geene voorstellingen van toekomstige straffen of belooningen op hem indruk maken, laat staan hem tot fanatisme opzweepen. Een heilige oorlog als die der kruisvaarders of die der Mohamedanen is niets voor hem. Proselytenmaken is hem vreemd en die begeerte in anderen is hem onverklaarbaar en — om de bedreiging van zijn rust —anti-pathiek.

Zeker kan de persoonlijke aanraking met hoogbegaafde geestelijken, van wier goede trouw en belangeloosheid op stoffelijk gebied hij zich eenmaal heeft mogen overtuigen, zeker kan, in 't algemeen, de

Sluiten