Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eer aan meer ontwikkelde Europeesche cliënten en zeker heelemaal niet aan inlandsche, denken.

Eenmaal op Java terug, had ik nog een paar maal gelegenheid hen van andere zijde te leeren kennen. Zoo maakte ik op niet-alledaagsche wijze met een Chineeschen industrieel kennis. Het overkwam mij eens, dat ik, in den trein van Maos naar Weltevreden reizende — met als éénig mede-passagier een blijkbaar welgesteld, mij onbekend Chinees — bij een der tal— looze controles der kaartjes — op Indische treinen zoo'n kwelling — de onaangename ervaring opdeed, dat ik het mijne niet kon vinden. De conducteur deelde mij toen mede, dat ik bij het eerstvolgend station, Bandoeng, een kaartje zou moeten nemen voor het heele traject, waarop ik hem moest bekennen, dat ik dat niet doen kon, omdat ik hiervoor toevallig niet genoeg geld bij me had. Hij zou er rapport van maken, zeide hij, en ging heen. Nauwelijks was h'j vertrokken, of mijn mede-reiziger, op wien ik tot dusver niet gelet had en aan wien ik naar menschelijke berekening absoluut onbekend moest zijn, bood zich aan, mij met de noodige contanten bij te springen. Ik was aangenaam getroffen door dit aanbod en had er wellicht gebruik van gemaakt, als het vermiste kaartje niet gelukkig voor den dag was gekomen, nog vóór wij Bandoeng bereikten. Ik had intusschen met den Chinees een gesprek aangeknoopt, waarin hij mij mededeelde, dat hij te Bandoeng woonde en er een Cassave-fabriek bezat. Hij vertelde me een en ander van de inrichting en noodigde mij uit, als ik ooit te Bandoeng mocht komen, bij hem aan te komen. Dan

Sluiten