Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70U hij mij zijn fabriek laten zien. Ik vergat het geheele voorval uitteraard, tot ik, een maand of zes later tijdelijk te Bandoeng vertoevende, er toevallig aan dacht. Niets beters te doen hebbende, wandelde ik naar de mij aangeduide woning van den man „die Chinees en Cassave-fabrikant was" — de eenige aanduiding, mij ten dienste staande — en ontmoette hier inderdaad mijn bekende uit den trein. Hij betoonde zich zeer gevleid, dat ik hem niet vergeten was en geleidde me dadelijk naar zijn fabriek. Ik heb in Indië menig minder aangenaam namiddaguur doorgemaakt dan dit. Bij 't afscheidnemen vroeg hij mijn naam en hoedanigheid. Hij maakte vele verontschuldigingen over zijn ontvangst, nu hij vernam, dat ik een Ivandjeng was (n'en déplaise de beslissing van den G. G. van der Wyck !) en toen ik hem vroeg, voor wien hij mij dan had aangezien, kwam het er, onverdacht-onschuldig. uit: voor een „toewan pandita'" (dominee). Ik verklaarde me gevleid, en verzekerde hem, dat de ontvangst ook voor de positie, die ik werkelijk innam, niet aangenamer en beleefder had kunnen zijn!

Deze ontmoeting geef ik weer, als een staaltje van de natuurlijke minzaamheid en hulpvaardigheid van den ontwikkelden Chinees. Geen Europeaan zou het mijn treinkennis hebben verbeterd! Al moet ik er bijvoegen, dat deze Chinees blijkbaar veel met Europeanen in aanraking kwam.

Later, in Cheribon (op Batavia na de door Chineezen meestbewoonde residentie) leerde ik verscheidene gezeten Chineezen kennen, van wie mij aangename persoonlijke herinneringen zijn bijgebleven. Lang vóór de

Sluiten