Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BILDERDIJK'S DICHTERFIGUUR.

i.

Bilderdijk's nagedachtenis.

Onlangs pleitte men er voor, een standbeeld voor Bilderdijk op te richten. Men komt hiermede in de lijn van den hoogleeraar Kalff, die in zijn bespreking van Verwey's bloemlezingen in < De Gids» opmerkte: c de verhouding tusschen het Nederlandsche volk en de Nederlandsche dichters laat in enkele gevallen niets te wenschen over, maar is dikwijls koel, soms gespannen of vijandig. Enkele begenadigden zijn uitgezonderd: Cats en Tollens stonden reeds lang in marmer gehouwen voor den volke ten toon, eer men er toe kwam den zooveel grooteren Vondel diezelfde hulde te bewijzen; marmeren borstbeelden van Hofdijk, Hasebroek, Potgieter en Schaepman prijken reeds in ons Rijksmuseum — maar Hooft, Bilderdijk en Multatuli zijn nog pas tot een steen gekomen; Bredero en Huyghens leven voort zelfs zonder steen. Twee der grootste dichters die ons volk ooit heeft gehad: Vondel en Bilderdijk, worden veel besproken, maar weinig gelezen; beiden kunnen tot hun volk zeggen: «uw hart is ver, ghij naeckt me met de lippen.»» Nu, jaren later, is een kloeke bronzen buste van Bilderdijk in het Rijksmuseum geplaatst, een buste die ook uit kunstoogpunt voldoet. Een standbeeld bezitten wij nog niet, slechts een ontwerp ervoor. De nuchtere Nederlander beschouwt standbeelden vaak als menschen-vergoding, doch dit oordeel is niet helder. Standbeelden zijn familieportretten in het album der natie. Kanongebulder en trompetgeschal behoeven daar niet bij te pas te komen, zij worden opgericht, zuiver uit nationaliteitsgevoel. En hier mogen we gerust vragen: moet de mindere den meerdere voorgaan? Hoe ook meet men met twee geheel verschillende maten onze schilders en onze dichters! Neen, een natie late zich, door wie ook, zijne dichters niet ontnemen, doch men steune krachtig het streven, dat zich hoe langer hoe meer openbaart,

I

Sluiten