Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die stervling is steeds rijk, steeds machtig, steeds verhevenI Zijn staamlen durft hij nog der kunst tot voorbeeld geven;

En wie hem deernis toon' of om z'jn dwaasheid lach',

Hij juicht zich-zelven toe, zoo lang hij beuzien mag.

En ten slotte, wat hebben wij, die zijn kunst als een nationale erfenis beschouwen, wat hebben wij verder met zijn menschelijke zwakheden van doen? Ik ben er van overtuigd, dat men, wanneer het de overneming van geld betrof, minder nauwgezet zou wezen. Toch acht ik een geestelijke erfenis heel wat gewichtiger dan een materieele.

Krijgen wij in een kunstenaar niet immer den man, dien wij verlangen, het is meestal en grootendeels onze eigen schuld. Natie en dichter voeden elkander wederkeerig op. Faalt de natie een dichter te geven, waar hij recht op heeft, dan beklage zij zich niet, als hij een anderen weg op gaat dan zij gewenscht had. Onrecht wekt verzet, en werking wekt tegenwerking. De richting, de ontwikkeling, die aan den geest der kunstenaren gegeven wordt, hangt niet alleen van hun ouders af, maar ook van hun volk. Vele der verwijten daarom, die men tot de kunstenaren richt, treffen hun genooten. Hoe gemakkelijk zal het zijn om door eigen kleingeestigheid een ander ij del te maken, moet men dezen daarop gaan berispen en zeggen: hoe komt gij zoo ijdel; beseft men niet, dat uit het onze zijn zwak is ontstaan ? Hoeveel meer zou Bilderdijk niet geworden zijn, had men hem behandeld als Duitschland Goethe en Schiller. En nochtans, wat heeft hij niet bereikt!

Het is ook nog een verkeerde gewoonte, die menigeen heeft behouden, onze letterkunde te beoordeelen naar de meeningen van Huet. Moesten we ons over onze poëzie een denkbeeld vormen uit diens geschriften, we zouden aan onze taal, onze vermogens en ons volk wanhopen. De schrijver van het < Land van Rembrandt» heeft onze dichters, vooral de voornaamste, niet gekend en gewaardeerd. De verhoudingen worden bij hem geheel onnatuurlijk; met genoegen bijv. lezen we zijn artikels over Bellamy en Staring, doch we wenden ons af, als we zijn hoofdstukken over Bilderdijk (Deel XXV) en Vondel (Deel I) lezen, onze twee hoofddichters. Ligt dit , vragen wij. aan die zangers of aan den criticus, die desniettemin genoopt werd te verklaren, dat beiden menig onsterfelijk vers schreven ?

Indien het waar is (en het is niet juist), dat met Bilderdijk's werkelijk fraaie gedichten slechts drie bundels te vullen zijn, dan zou deze laagste taxatie niets bewijzen. Zuiver de verzenbundels van velen onzer modernen eens van alle onwaardigs en zij zullen aanmerkelijk dunnen, inkrimpen, en verschimmen. Men heeft er, wier roem op enkele son-

Sluiten