Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat in karakter en eigenschappen, in deugden en wijsheid zijn onderdanen ver overtrof, die met wisse hand het schip van staat de onbekende zee der toekomst wist in te sturen, wiens alleenheerschappij op geen plekje van zijn rijk in dwinglandij ontaardde, en wiens macht zijn bronnen vond in zijn deugd. Nog zouden wij daar vele eischen moeten bijstellen. Hoe rekende Bilderdijk dus op de verwezenlijking van zulk een ideaal? En zelfs: de volmaaktste der menschen werd niet gehoorzaamd, maar gekruisigd, niet op den troon, maar in een stal geboren.

Aan den anderen kant, zoo verklaart ons Kollewijn, worden vele van zijn denkbeelden, vroeger hersenschimmig geacht, thans voorgestaan door de socialisten. Wij leven snel. Eischte Bilderdijk zelfs niet, dat de staat zorg moet dragen, dat ieder jongeling op zijn achttiende jaar kan trouwen?

Echter, het is niet over een vergankelijk politiek verschijnsel, dat ik wil blijven spreken, hoe opmerkelijk het is, doch over den ouden bard zelf. Tegenover de tijdelijke overwinning van den politicus, staat de duurzamer triumf van den dichter. Wij stellen nog belang in de oudste zangers der menschheid.

Wat is Bilderdijk's beteekenis voor onze letteren? Op deze vraag wordt nog steeds zeer uiteenloopend geantwoord. Letterkundige misdadigers, die voor hun antwoord, bewust alléén uit de slechte verzen van Bilderdijk aanhalen. Dwazen, in dit opzicht dwazen, zij, die zoo ver van den dichter gaan staan, dat zij hem niet meer zien; indien ik mij ver genoeg begeef, dan kan ik met een stroohalm een toren bedekken. Een mier moge mij vertellen, dat de Mont-Blanc niet bestaat. Of moet ik mijn hoofd buigen voor den critischen beschouwer, die wel de ruwheid der steenen ziet, doch den kathedraal niet, de < brallige» woorden ontwaart, doch de poëzie niet? Wiens ziel de ziel des dichters niet verstaat, en die den klank der verzen aanhoort als een Japanner een Europeesch orkest?

Maar omgekeerd: wil ik gaan beweren, dat Bilderdijk zich talrijke malen een voortreffelijk dichter toont, dan zal het publiek, dat Bilderdijk niet kent, met die bewering niet voldaan zijn, doch om bewijzen vragen. En zoo zou de twist onuitgevochten blijven, want bewijs eens de schoonheid van een gedicht! Op zichzelf zou het een bewijs er toe mogen heeten, dat een dichter na een eeuw tijds, na door de groote massa bespot en gebrandmerkt te zijn, weder opnieuw de zielen ontvlammen doet en hardnekkige verdedigers vindt zijner eer. Een dood dichter staat zoo niet weder op. Doch een absoluut bewijs is het evenmin. En 'k wil gaarne toegeven, dat er geen absoluut bewijs voor de schoonheid is. Doch ook dit behoeft niet af te stuiten van het voeren van polemiek over wat schoon is en wat niet. Want zoo lang de schoonheid bestaat, zoo lang is het

Sluiten