Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van der bergen,"hoogten neer, En herschapen tot rivieren,

Keert het naar zijn oorsprong weer.

't Streeft in uitgebreide stroomen,

Hier langs rijkbebloemde zoomen,

Daar door steenrots, heide en zand, Lieflijk ruischend,

Heftig bruinend,

Zoekt het rust aan 't barre strand.

Thans uit groene lustvalleien,

Die 't een mollig leger spreien.

Nevel, dampwolk, drijvend water, Kegenguds of stroomgeklater.

Maar nog steeds hetzelfde nat,

Keert het na voleindigd zwerven, (Waarom noemt de mensch|dit sterven?) Daar, waaruit het wording had.

Goethe.

Des Menschen Seele Gleicht dem Wasser!

Vom Himmel kommt es,

Zum Himmel steigt es,

Und wieder nieder Zur Erde musz es,

Ewig wechselnd.

Strömt von der hohen,

Steilen Felswand Der reine Strahl,

Dann stïubt er lieb'lich

Ragen Klippen Dem Sturz entgegen,

Schaumt er unmuthig.

Im flachen Bette

Schleicht er das Wiesenthal hin

Seele des Menschen,

Wie gleichst Du dem Wasser!

Schicksal des Menschen,

Wie gleichst Du dem Wind.

Sluiten