Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schiller, de arme Schiller, is door Bilderdijk vreeselijk afgemaakt, hij «raaskalt» volgens dezen en elders heet het:

„Voor Schiller's drekhoop walgt bij 't goud van Sofokles."

hij heeft het dus tegen diens tooneelstukken. Nu zullen in de toekomst geloof ik, enkele daarvan niet die waarde bezitten, die men er aan toekent of heeft toegekend, en is het in ieder geval zeker, dat Schiller als tooneeldichter ver overtroffen wordt door geesten als Shakespeare en Sofokles, welke eerste, onder voorbehoud, door Bilderdijk is gewaardeerd geworden. Toen men den Nederlander eens vroeg, wat hij dan van Schiller gelezen had, beweerde hij alleen «die Rauber», zooals men weet Schiller s eersteling en niet zijn beste stuk. Elders blijkt echter zoo goed als zeker, dat Bilderdijk ook de «Teil» gekend heeft.

Bilderdijk's uiting valt evenwel te betreuren, daar hij zelf als tooneeldichter Schiller nochtans niet evenaart. Weinig dacht Mr. Willem, dat in zijn eigen land Schiller's roem eenmaal grooter zou zijn dan de zijne, dit is ook niet billijk. Hij heeft zoo tal van mooie verzen gedicht, men zal het eenmaal weten, en gelijk hij zelf verkeerd deed met zijn grimmigen aanval, handelden de modernen verkeerd jegens hem, dien zij allen toch als een groote persoonlijkheid moeten erkennen, en die hun landgenoot is. Schiller immers kan overal zijn verdedigers vinden, Bilderdijk hangt af van een kleinen kring. Hoe hij over zijn Duitschen tijdgenoot geoordeeld hebbe, diens lyriek heeft wellicht indrukken bij hem achtergelaten, en we kunnen een plaats aanwijzen, die duidelijke overeenkomst vertoont.

Het is. waar Schiller over de liefde spreekt:

Sonnenstaubchen paart mit Sonnenstïubchen

Sich in trauter Harmonie,

Sphïren in einander lenkt die Liebe,

Weltsysteme dauem nur durch sie.

Tilge sie vora Uhrwerk der Nature,

Trtlmmernd aus einander springt das All,

In das Chaos donnern eure Weiten,

Weint, Newtone, ihren Riesenfall!

Bilderdijk zingt (weder kerstenend) hetzelfde in «Orde»:

't Hemels licht ontzonk zijn luister,

't Niet herstelde in eindloos duister

Zijn gevelde heerschappij,

Heel de schepping waar verloren,

De oude baaiertnacht herboren,

Sluiten