Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij Kloos van godsdienst mag spreken, loopen ver uit elkaar, en Bilderdijk was nog minder toegevend dan Kloos; Bilderdijk is een heftig aanvaller geweest. Wij moeten dikwijls aan zijn geloof en zijn opvattingen denken, indien we zijn verzen op waarde willen schatten, want overal stralen die door. Doch dat eenmaal doende, zullen we groote bewondering voor het schoone gedeelte van zijn poëzie verkrijgen, en zal men daar geestdrift ontwaren, kunstenaarsgeestdrift, licht en ziel.

Treedt met mij Bilderdijk's tempel binnen, en lezen wij eens de volgende verzen:

Zoo sprak ik, als mijn ziel een zacht gevoel ontwaarde,

Dat me aan mij-zelv' onthief en aan deez' kwijnende aarde.

Ik ademde geen lucht, noch voelde 't hart mij slaan,

Maar was van heldren glans doorwemeld en doortogen,

t Was voor mijn lichaam licht, en duister voor mijne oogen,

't Gevoel mijns aanzijns werd veredeld en vergood,

Een hooger zintuig dan mijn eigen was, ontsproot;

En 'k zag door 't weefsel heen van eigen ingewanden En vezeldraden en gevlochten zenuwbanden.

k Doorstroomde als 't zuiver licht den heldren waterdrop,

Den dichten stofklomp, en geen afstand hield mij op.

En wat mij overbleef van dit ons schijnbaar leven,

Scheen me als een droomverschiet door 't wakend brein te zweven.

Ziedaar, dus riep me een stem in 't binnenst van mij zelv',

A/aar die me als de echo van een eindloos ruim gewelf,

Van alle kant terug en in één punt gedreven,

Verdubbeld tegenklonk en mijn gebeent deed beven.

Ziedaar, o stervling, wat gij zijn moet, wat gij wordt,

Thans ligt ge in 't kiemend zaadl Zie opwaart, eer ge mort!"

Maar dit staat boven kritiek, roept ge uit! Zoo is het ook. Het is een brokstuk uit «De Geestenwareld», een der belangrijkste verzen uit onze letterkunde. Bilderdijk heeft meer geschreven dan de kunst verantwoorden kan, en is dikwijls gemelijk geweest; nog meer, hij was een zonderling, een groot figuur is meest zonderling, hij schold meermalen heftig, wat nog niet uit de mode is, en meermalen met meesterschap van taal, hetgeen anderen niet altijd kunnen; maar dit alles tezamen teekent zijn vonnis niet als dichter.

en, al drukt hij zich wat anders uit, merkwaardig komt toch die uiting overeen met de stelling der tachtigers, dat de dichtkunst heeft te zijn de precies-gelijkwaardige weergave in rhytmisch-dansende woorden-reeksen van een spontanen. niet redeneerenden zielestaat, van een voelenden en zienden inwendigen zang." Dit schrijft Kloos heden; hetgeen ik schreef is reeds te vinden in mijn art. over Bilderdijk onderteekend Oogstmaand 1904 en geplaatst in De Amsterdammer van 5 en 12 Maart 1905,

Sluiten