Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Twee echter, zij, die gij als uw grootste meesters erkent, die eerbiedwaardige dooden, Perk en Gezelle, wier dood bekroond is met hun roem, hebben rijke en nieuwe schatkameren geopend zonder daarvoor afstand te doen van hun liefde voor onzen ouden bard. En thans, nu wij door zooveel gebeurtenissen van dien gescheiden staan, is alle gevaar geweken om ook hem recht te doen i).

IV.

De Herdenking.

Men heeft in het jaar 1905 twee befaamde schrijvers herdacht, Cervantes en Schiller. Europa en Amerika vierden hun feest. Nederland bleef voorzeker niet achter, het voelt zich daarvoor te kosmopolitisch. In verschillende steden werden bijeenkomsten georganiseerd, de medewerking kwam van vele zijden; de tijdschriften wijdden sympathieke artikels aan hun twee helden. Men ging zóó ver een Cervantes-adres in prachtband aan den jongen koning van Spanje te zenden. Vergelijkt men daarmede de moeilijkheden om tot een waardige Bilderdijk-herdenking te komen, de lektuur, over het algemeen naar verhouding nog te weinig van omvang en gehalte, ons over Bilderdijk aangeboden, dan maken we onwillekeurig gevolgtrekkingen. Welke, behoef ik daar den lezer over te spreken?

Rembrandt, Bilderdijk, de Ruyter. Begint ons volk toch werkelijk weder voor zijn nationaal leven te voelen? Gaat het stambewustzijn krachtiger opflikkeren? Komt er vruchtbare gisting in de harten, zullen geloof en zelfvertrouwen wederkeeren? Hoewel niet zoozeer het volk

1) Ook dit onderschrijft Kloos nu: „Ook is het thdns juist de tijd, om zoo'n bloemlezing te geven, omdat wij, menschen van 80, tot tijperen leeftijd gekomen, objectiever tegenover Bilderdijk staan kunnen, dan dit der vorige generatie goed mogelijk is geweest. Wij zijn verder van hem af, wij hebben niet meer zoo tegen hem te vechten, omdat de nawerking van zijn stijl, zoowel als die van zijn ideeën, waar Potgieter en de zijnen nog last van hadden, in de tegenwoordige literatuur vrijwel geheel en al tot stilstand zijn gebracht, en wij dus in staat zijn hem te beschouwen, niet langer als een vijand, dien wij hebben te verdrijven, maar als een historisch verschijnsel, dat, als alle historie, interessant is, en waarvan wij de goede zijde, in haar volle waarde kunnen zien." Dit is een bedenkelijke bekentenis van Kloos. Moet men de waarheid verkrachten, als men heeft te vechten? Verraadt dit geen zwakheid? En het büjkt, dat Bilderdijk's ideeën omtrent de poëzie dezelfde zijn als die der tachiigers.

Sluiten