Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja, door wanden, lucht en dalen,

Barst het blijd Hozanna uit:

Heil den grooten Davidsspruit I Dat het op 't gebergte stuit.

't Zegenend triomfgeluid Davert door de Hemelzalen,

Waar het met het Englenlied Voor Gods zetel samenvliet.

Hier is met het lichtpenseel van Rembrandt gemaald, licht op licht, bovennatuurlijk licht, het needrig veulen en zijn ruiter schooner dan de schitterende drom van een vorstelijken zegestoet. Meesterlijk is ook de vorm; de weelde van het oogenblik wordt fraai uitgedrukt in het overvloedige rijm.

Wil men echter ikheidslyriek, waaraan de modernen den voorkeur geven, neem het beroemde 't Gebed, ook uit 1827, met een paar regels uit Euripïdes:

Gij, vogel die op rots en klip Van 't golfschuim overbruist In 't schuddend nest gehui-d,

Aan 't in den storm geslingerd schip Den klaaggalm toekrijt van uw wee,

Gij, jammervolle Alcyone,

Daar ge in het weduwlijke kermen De winden noodigt tot erbermen,

En, eindloos Celx, Ceïx krijt;

Tot op 't geklepper van uw vleugelen Het stormgeweld zich in laat teugelen.

Waar 't woedende op de baren rijdt!

Al overschreeuwt het piepend lied Ontboezemd in mijn leed,

Den heeschen, schorren kreet Van uw ontembaar krijschen niet,

Niet minder scheurt het wolk en lucht,

Wanneer mijn borst ten hemel zucht;

Om door een duizendtal van kringen Tot 's Hoogsten zetel door te dringen,

Naar aller zielen Toeverlaat.

Dan, dan ontplooit het vlugger wieken Dan 't wolk-doorsteigrend arendskieken En die geen stormwind nederslaat.

Zoo schreef een grijsaard, die de 70 voorbij was. Het is of we op de ijzige hoogten der Mont-Blanc zijn, zegt Huet. Dit herinnert aan wat

Sluiten