Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Baggesen van Schiller zeide: «Schiller is een vuurspuwende berg, welks top met sneeuw is bedekt.» Doch we denken bij 't Gebed eerder aan den adelaar, die boven de sneeuwtoppen uitzweeft, en wiens boezem blaakt en brandt. De strofenvorm is zwaar als het lichaam van den vogel, die met machtigen en breeden vleugelslag zich verheft door de wolken.

En wanneer 's dichters gedachte ten hemel gestegen is en zich ontrukt heeft aan de ellenden, voelt hij, ademend in die zaligheid, de rust terugkeeren en gaat het vers, in deze lichte atmosfeer zwevend, kalmer in majesteit voort, rustig voortwiekend als de arend:

Verr' boven lucht cn morgentrans Waaruit de blijde lach Van d'opgewekten d:g Onze aard ontnuchtert door zijn glans;

Verr' boven 't starrenvonklend praal —

plaveisel van de azuren zaal Woont, die den teugel aller dingen Met zachten zwenk weet om le dwingen,

Wiens oogwenk leven schept en dood;

Die 't thands, de toekomst en 't voorleden,

Met de eeuwenstroom der eeuwigheden In eenen blik omsloot.

Weder terug naar de aarde kaatst nu de lichtstraal van zijn gebed:

Maar, daar in 't ongenaakbre licht,

Waar, voor Uw throon gestrekt,

De Seraf 't oog bedekt,

En siddert voor Uw aangelicht;

Waar de ongeschapen heilzon blinkt.

En 't al van Hallelujah's klinkt;

Daar, God, schouwt Ge op dit aardrijk neder,

Als vader, ons weldadig, teder,

En vloeit ons zegen van Uw hand!

Daar, in 't gejuich der Hemelchoren,

Wilt ge ook den stervling bidden hooren,

Den machteloozen slijkverwant.

In zulke gedichten stijgt B. nog boven Vondel's lyriek (afgezien van diens treurspelen) in stoutheid uit.

Bilderdijk heeft Vondel altijd geëerd en ijverig bestudeeerd, hij beroemt er zich op Vondel's faam hersteld te hebben. Hij heeft zelfs een mooie teekening van hem vervaardigd. Slaan we de bladzij voor 't Gebed op, dan vinden we «God», de eerste strofe vooral is een duidelijke herinnering aan Vondel:

Sluiten