Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie is Hij, di«s zoo hoog, zoo diep

In 't grondelooze licht,

Zijn eeuwgen zetel heeft gesticht;

Miljoenen in het aanzijn riep,

En al 't hestaanbre schiep?

Die, zonder steunsel, alles pchraagt,

En 't eeuwig-zeker lot Van alles op Zijn adem diaagt?

Wie is, wie is Hij? — god.

Deze drie gedichten behooren tot de gewijde poëzie, doch men weet, dat Bilderdijk alle soorten der lyriek heeft beoefend en in alle meesterstukken heeft voortgebracht. Zal iemand, die den Rijntocht maakt, en zich daarbij vele Duitsche verzen in herinnering brengt, zal hij denken aan Bilderdijk's fraaie bewerking eener Rijnlegende?

Ik doel hier op <Rolandseck aan den Rhijn,» in bijzondere strofen. Aldus heft gloedvol de zanger aan:

Wie heeft bij 't woeste Tijdgewoel Nog tranen over voor 't gevoel?

Wiens menschlijk harte neemt nog deel In 't somber filomeel

gekweel,

' Wanneer ze in wangestemde maat

Den schorren toon van wanhoop slaat?

Die kome en hoor' naar 't stroeve lied Dat uit getroffen boezem schiet.

o Roland, Roland! strijdbre held!

Waar toefdet ge, als van 't Oorlogsveld Het wild gerucht (te vroeg geloofd)

„Dat Roland, met het hoofd

gekloofd,

In bloed en lijken nederzonk"

Het stille Bonn met rouw doorklonk.

Roland's geliefde neemt den sluier aan, doch de tijding blijkt valsch, aan het hoofd van zijn zegerijken stoet keert Roland terug over de bergen, schitterend in zijn blinkende wapenrusting. De bruid sterft van wanhoop. Roland vestigt een slot nabij haar kloostergraf en blijft tot den dood zijn geliefde gedenken.

«Nog heft het slot den graauwen trans en vangt den vroegen morgenglans.»

En roept den naam van Roland uit Die rollende op de bergrots stuit,

En de Echo stort elk teder hart Een huivring in.

Sluiten