Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerst in den opgang staan naar een breedere opvatting van hunne werken en hun poëzie, dat de goede grondslagen van onze critiek thans moeten gelegd worden, dat we nog maar beginnen met hen te kennen.

Om een stoeren, vruchtbaren werker te begrijpen moeten wij evenveel en even ernstig hem «rf-werken, moeten wij ons peillood werpen in de diepte van zijn geest en met onze gedachte gaan staan op den berg zijner visioenen, van daar uit kunnen wij zijn arbeidsveld overzien en de juiste schikking waarnemen der deelen; moeten wij tasten en grijpen en onderzoeken het schrift, dat hij ons heeft nagelaten en dat niet alleen het produkt is van hemzelf, doch mede zijn ontstaan dankt aan het werk van vorige geslachten en verborgen, door de eeuwen gevoede krachten, van onbekende wisselwerkingen en de hulp van onzichtbare geestelijke machten.

Wijd en zijd is onze zoeker uitgevlogen en heeft al het verzamelde naar eene innerlijke, (schoon veranderlijke) orde gerangschikt. Bilderdijk's geschriften zijn hieroglyphen, die wij grootendeels nog ontcijferen moeten.

Bilderdijk was visionnair, gevoelsmensch en denker. Deze drie stroomingen zijn in zijne gedichten te onderscheiden. Het eene vers kan zijn oorsprong vinden in de ziening, de visie van den zanger, een ander in zijn gevoel, zijn stemming.

Als sprekend voorbeeld van zulk eene ziening noem ik o. a de laatste bladzijde uit: De Ziekte der Geleerden: «Met valschen tooverschijn nam Jazons Gemalin»; het is de beschrijving van Medea's wraak; Medea weet de dochters van Pelias te doen gelooven, dat zij hun vader verjongen kunnen. Het afschuwelijk feit dat volgt wordt aldus verhaald:

Het uur van midnacht nadert.

De flaauwe maan gaat op, en siddert door 't gebladert,

Maar wendt het aanzicht af, en dekt het met een damp.

Amfijze treedt vooruit, de handpalm voor de lamp,

En sluipt de bedzaal in, en heft zich op de tenen,

En ziet haars Vaders slaap, en hoort hem slapend stenen.

Twee Zusters volgen op haar wenken, 't Moordend staal Blinkt in heur handen, trilt, en flikkert door de zaal Bij 't vlammen van de tocht. Op d'aanblik neergeslagen,

Ontzegt haar 't schuldloos hart het gruwelstuk te wagen.

Zij bleeken — blozen — ach! zij schamen zich den schrik Die tegen 't misdrijf waakt in 't hachlijk oogenblik:

Haar doel is edel; ja. De tederste van drieën Is moedigst en gereedst. Nu buigen zij de knifCn En roepen 't noodlot en de afgrijsbre Hekaté,

Doch (luistrend, mommlend aan, met naauwlijks hoorbre bet.

Sluiten