Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij rijzen, 't Hoofd gebukt, de vingren saamgenepen,

Voelt elk zich, tegens dank, van de andren medesle'cpen Zij naadren 't ledikant, en heffen 't mes omhoog.

En stooten blindlings toe met toegewrongen oog En afgekeerd gelaat. Het bloed begint te vloeien;

Zij voelen 't zich, hoe traag, de hand en arm besproeien.

En sidiren. Pelias, in 't sluimren half gestoord,

Roept kermend uit: „ Mijn kroost! uw Vader wordt vermoord! »

Nog slaat hij de oogen op, en ziet zijn eigen leven,

Gewapend met het staal, reeds bloedig, tot hem streven,

En voelt op 't oogenblik zijn hartSar afgesneên;

En stervend waant hij nog dat hem een droom verscheen. De Dochtrentrits gaat voort, en keelt den grijzen Vader.

En perst hem 't stokkend bloed uit hals en gorgelader,

En vreest dat zelfs een drop in 't lichaam overblijft.

De gruwel is volwrocht; het zielloos lijf verstijft.

Waar zijt, waar tijt ge thands, en waar uw levenskruiden,

o Colchis' tooveres? De nacht is reeds door 't Zuiden,

't Gestarnt verschiet reeds, en uw luchtkar houdt zich ven'!

Waar zijn die mengsels toch, aan 't oog der motgenster Verboden; snavelbeen en uitgeplukt gevleugelt'

Van roerdomp, vledermuis, en gruwzaam nach!geveugelt;

Dat harte van een raaf die zeven eeu-wen telt;

Die hertenlever; en die maandanuw van het veldDie 't negenjarig ooi, ten ketel uitgesprongen,

Deen blaten door de wei en zuigen aan zijn jongen 1 Waar zijn zij ?

Dit fragment behoort ongetwijfeld tot die verzen «van ontzettende

schoonheid», waarvan Huet gewaagt. Ue Ziekte der Geleerden is als

I didactische poëzie bedoeld, doch verschillende episoden kondigen reeds

het heldendicht aan, waardoor Kinker bewezen achtte, «dat er ook eene

epische ziel in onze taal huisvest.» Men lette op de schoonheid dezer

woorden van Kinker, hij deelt de taal zelf eene ziel, een geest mede; hij

schakelt den dichter bij de nationale kracht in en beschouwt hem niet

als iets afzonderlijks, doch als uiting van een bestaand geestelijk bewustzijn. '

Wanneer mij de felle aanvallen op Bilderdijk in gedachten komen, dan denk ,k onwillekeurig aan deze bladzijde; want ik vind dien moord op Bilderdijk, door de Nederlanders uitgevoerd, bedroevend; doch de verheugende gedachte rest ons, dat ware kunst alle aanvallen doorstaat en weder verjongd en versterkt zijn rechten herneemt, hetgeen thans, naar ik meen dat wij aanschouwen kunnen, bij Bilderdijk gebeurt. Door iedere verloochening van sterke, nationale kunst gaat veel kracht verloren, en

Sluiten