Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BILDERDIJK'S CRITICI.

i.

Kritiek van tydgenooten.

Het onderwerp, dat ik ga behandelen biedt stof voor een uitgebreid werk, men verwachte dus geen volledigheid; ik kan slechts eenige grepen doen en bespreek bijkans uitsluitend de schrijvers, die studies over Bilderdijk ten beste gaven of ons vele malen hunne meeningen mededeelden.

Allereerst een vluchtige blik op de kritiek van Bilderdijk's tijdgenooten. 's Dichters roem was reeds zeer vroeg gevestigd, daarover had hij niet te klagen, jeugdige prijsverzen werden met goud bekroond. En de roem bleef den dichter bij. Kollewijn zegt ervan: «Eer de inhoud zijner verzen hem zoovele vijanden bezorgde, vooral onder de tijdschriftenredigeerende predikanten, wist de critiek geen woorden te vinden om een poëzie, die zoo aan alle «eischen» voldeed, naar waarde te loven. Men vond in zijn gedichten kracht, gevoel, ineengedrongen kortheid, stoute beelden, betooverend maatgeluid, zwier, schildering, en een weelderigen rijkdom van alles, wat de poëzij keurigst heeft, met wijze spaarzaamheid ten toon gespreid.»

Wij geven een paar opmerkelijke voorbeelden van oude kritieken. In 1788 (Vaderlandsche letteroefeningen) wordt bij het verschijnen van den Elius reeds gewezen op de schoone beschrijvingen van den Zwaan, en aan den anderen kant op den te gerekten aanhef van het gedicht, een goede opmerking. Deze aanhef is mijns inziens te vermijden door te beginnen met de derde strofe:

Daar, waar de Waal de zoomen kust waarbij het gedicht niet verliest 1).

1) Ik dien, dit zeg ik tegen eenige critici, die mij aanvielen, ik dien de kunst en niet den dichter. Vergrijpt een dichter zich aan de kunst, dan zij hij daarvoor terechtgebracht. Nooit drukke een kunstenaar over wat hij tegen of buiten de kunst acht, tenzij in historische uitgaven. Hij doe dit vooral Diet bij dichters als Vondel en Bilderdijk, die zoo geweldig veel hebben geschreven. Hij zij echter om rekenschap niet verlegen.

Sluiten