Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dichter naar de Spaarnestad en wordt begroet met «Haarlem's weerklank van Bilderdijk's Afscheid aan Leyden,» waarin met Bilderdijk en zijn kunst de draak wordt gestoken:

Die, jonger reedj, het angstgewemel,

Een anders hel, u koost ten hemel.

Haarlem, de laatste stad, die Bilderdijk herbergde, verwachtte den grammen bard blijkbaar met schrik of ongenoegen:

Ons Haarlem zal geen weedom toonen ;

't Heeft nooit uw wrevelzin gelaafd ;

Langs 't Spaame rollen vreugde-ilan&en,

Als gij naar Leydens palmen ranken

Voorspoedig in een rolkoets draaft.

Bij zijn dood wordt Bilderdijk de grootste dichter van Nederland genoemd. In 1832 wordt zijn bewerking van de Hartspiegel hoogelijk geprezen,

tot zelfs het nicotiaansche kruid als hekeldicht geroemd 1).

Wij geven voor slot van deze rubriek de kritiek op de Nieuwe Vermaking in 1832. Deze is over het algemeen zeer prijzend wat Bilderdijk's kunst aangaat. Zij rangschikt Bilderdijk onder de «opmerkelijkste bestrijders der nieuwere denkbeelden» en noemt hem een theosoof, eenigszins in andere beteekenis dan dit woord thans heeft (regtzinnigcalvinistisch en theosophisch-staatkundig), ofschoon theosophen van heden verwante denkbeelden en gevoelens bij hem kunnen vinden, en verheugd zullen zijn over die vroege ontdekking. «Aan het hoofd dier Theosophen staat in Frankrijk, volgens den criticus, de ultramontaan De Lamennais, in Nederland de calvinist Bilderdijk. Volgens Bilderdijk mag er geene algemeene Heerschappij bestaan dan die van het onzigtbaar Opperhoofd der Kerk. Hij staat daarnevens tot ergernis der Nederlanders de alleenheerschappij voor der vorsten » Het is een wel opmerkingswaardige kritiek.

Wij besluiten hiermede dit eerste deel. Dat de dichters uit Bilderdijk's tijd, ook Staring, hem allen buitengewoon hoog stelden, is bekend. Zelfs Kinker, later zijn sterke tegenstander, deed dit; deze verkoos boven alles De Ondergang der eerste Wareld en verklaarde, dat de episode van Elpine alleen genoegzaam bewees, dat er «ook een epische ziel in onze taal huisvest.» Potgieter laat in «Eene Halve-Eeuws Wake» Vondel tot Bilderdijk spreken: «Wie is hij daar, die mij overtrof?»

I) Vrienden geven de „Gedenkzuil" uit in 1833. Alleen de studie van de Clercq daarin is van belang.

Sluiten