Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanmerkelijk uit. Zoo zegt hij, hetgeen het hierbovenstaande aanvult: <De tienjarige ballingschap eerst op britschen, daarna op duitschen bodem, bracht in geheel zijn uitwendig en inwendig leven veranderingen en ervaringen teweeg, die inzonderheid wederom op zijne poëzij een machtigen invloed oefenden. Wat den vorm betreft, zoo laat zich, inzonderheid van dat tijdperk aan, een nog meerdere vrijheid van de hoe ook altijd door hem geëerbiedigde klassieken waarnemen, eene vrijheid in het geheel, van dichterlijken stijl, die als van zelve met eene steeds toenemende buigzaamheid en veerkracht van versificatie te zamen gaat. Maar ook de zingensstof breidt zich aanmerkelijk uit, en wordt meer dan ooit in hoogere sfeer gezocht.» En over Bilderdijk's kunst in het algemeen: <Eene zelfschildering, waarin met al den gloed en volheid van het leven, geheel de mensch en dichter voor den dag treedt, bezitten wij in dat geheel van hooge nederlandsche poëzij, rijke bilderdijksche taal! Of (wilt ge 't liever, want ook muziek, bij uitnemendheid muziek, zijn beide die taal en die poëzij!) als een reusachtig orgel staat het daar voor ons, dat, beurtlings zingend, trillend, bruisend, kweelend, smeekend, smachtend, schaterend en klaterend, onweêrend en onweêrstillend, kermend en jubelend, stervend en weder herlevend, in eindelooze melodiën al de tonen van menschelijk gevoel en verbeeldingskracht doorloopt, om tenslotte, of het ware uit de baren en branding aller hartstochten en bewegingen dezer wereld, zielen op te voeren in de haven der eeuwige Hallélujahs» i).

Vervolgens maakt hij de belangrijke vergelijkingen van Bilderdijk met Vondel, met Shakespeare en met Goethe. Zij kunnen natuurlijk niet wiskunstig zuiver zijn, doch de beelden zijn dichterlijk waar. Hij denkt aan de vier voorname Edelhuizen van Holland, onderscheiden in het oudste, het stoutste, het rijkste en het edelste. «Werd het mij opgelegd de vier merkwaardige benamingen tusschen de twee Nederlandsche Hoofddichters te verdeelen, ik kende die van oudst en rijkst toe aan Vondel, die van stoutst en edelst aan Bilderdijk. Ik noemde Vondel dan den oudste, niet in dien vanzelf sprekenden zin van oudere in leeftijd, maar in den nauw daaraan verwanten van voorganger en daardoor zelve voorbeeld. Oorspronkelijkheid is uit den aart der zaak, bij voor het overig gelijken rang en waarde, de eigenschap van den vroegere in leeftijd en bloeitijd. Frissche oorspronkelijkheid is bij Vondel dan ook hoofddeugd: met deze hoofdeigenschap vereenigt hij in de hoogste mate rijkdom. Rijk is Vondel in

i) Men bemerkt| dat, wat Scharten m de Gids van October 1906 zegt, anders is van beeldspraak, doch in wezen en gevoelen hetzelfde als dit in 1856 reeds door Da Gosta gesprokene. Die oude rotten wisten toch ook iets van poëzie.

Sluiten