Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel belangrijker, vruchtbaarder, en vooral op een zoo veel ruimer veld zich bewegende tweede gedeelte van zijn dichterlijk leven een aanvang neemt.» De trek naar het heldhaftige bij Bilderdijk komt steeds duidelijker uit. Heeft hij in 1787 de vrijkorpsen gehoond, eerst in 1795 ontwikkelt zijne poëzie volle epische breedheid in De intocht der Franschen. In 1803 dicht hij zijn ballade Floris IV, waarin reeds de wordende Segol te ontwaren is. Dan in 1806 onder Lodewijk de buitengewoon krachtige Ziekte der Geleerden, De Ode aan Napoleon, vervolgens de Willem van Holland, en we zijn genaderd tot het heldendicht. De figuur van Segol, zegt Da Costa, doet aan verschillende helden denken, aan Charlemagne en Richard Leeuwenhart, zoowel als aan Saul en Julius Cesar, Van Hoogstraten wijst op Floris V. Ik geloof dat wij bij Segol's veldheersgenie vooral moeten denken aan de geweldige figuur van Napoleon.

Da Costa treft nogmaals een vergelijking van Bilderdijk met Vondel. Vondel leidde Bilderdijk tot de bewustheid «van wat er al van schatten en mijnen van poëzij èn in de taal zijner natie èn in zijn eigen hart en genie aanwezig was, hetzij reeds ontgonnen of opgedolven, hetzij nog verholen en onbezocht. Vooral mag men die even stoute als muzijkale versbouw, die Bilderdijk in de poëzij gebracht heeft, als eene rijk op winst gezette erfenis van Vondel beschouwen.» Dit is volkomen juist, doch het is alleen een deel van Vondel's erfenis dat door Bilderdijk benut is, n.1. hetgeen Bilderdijk het meest nabij lag. Bilderdijk's taal is muzikaal en magistraal, doch slechts zelden zangerig in den zin als vele verzen van Vondel en Goethe dit zijn. Een betrekkelijk gering getal zijner gedichten lokt uit tot toonzetting 1).

«Aan Bilderdijk, zegt Da Costa, de meerderheid in de fijnheden der kunst zoo wel als in de hoogheid en grootschheid der muzijk, aan Vondel daarentegen die tot op dit oogenblik nog onovertroffene frischheid, welke hem ook m alles eigen was, — eene frischheid, als die ons wel eens in het dagelijksch leven aantrekt bij den kloeken, gezonden en fikschen man des volks, en over diens woorden en bewegingen soms eene soort van naïveteit, vol pit en behagelijkheid, verspreid, die door geen kunst is na te bootsen.» Er steekt waars in deze vergelijking, doch Da Costa cijfert te veel het symphonische weg van Vondel's poëzie. Vondel's ziel ruischte van zangen en koralen.

Moet ik zelf een beeld zoeken voor Bilderdijk's schitterendste poëzie, ik zou zijn vers willen vergelijken met de geurige olie, die men bij

1) Toch gaven musici mij toe, dat meer vcrztn vau hem op muziek mochten gezet worden.

Sluiten