Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit is echter iets zeer natuurlijks. Helaas, dat het zoo moet wezen.

Het aantrekkelijkst is de volgende bewering van de Clercq: «Bilderdijk is de Rembrandt der dichters, groot en verheven, doch dikwijls raadselachtig en duister. Men kan bijna echter deze stukken (de Affodillen) als kunst, volgens mij, voor het toppunt der dichtkunst houden. Men vindt in denzelven een geheel andere taal dan de gewone. Ongebruikte beelden op de stoutste wijze uitgevoerd, en oude geheel vernieuwd. Of hij juist volksdichter zij of tot het hart spreke, daaraan twijfel ik zeer; doch als kunstenaar is hij onnavolgbaar.»

De Clercq's bewondering voor Bilderdijk nam immer toe. Omtrent zijn kennismaking zegt hij: <weldra stond ik aan de nederige woning van Bilderdijk. Ik werd door Da Costa ingeleid, en beefde meer dan toen ik het verzoekschrift der commissionairs aan zijne Majesteit hielp aanbieden.» Van belang voor begrip van Bilderdijk's kunst is dit: «Ik dank God, die mij Bilderdijk niet door zijn verstand, maar door zijn hart leerde kennen.»

In 1822, het jaar van Da Costa's doop, vertelt hij: «Kinker, voor eenige jaren naar Luik vertrokken, moet het ontwaren welke ontzettende veroveringen Bilderdijk en de zijnen gemaakt hebben.» De jaren van heftigen strijd voor den Bilderdijkschen phalanx waren aangebroken.

In de Gedenkzuil merkt de Clercq aan:

< Bilderdijk besloot de letterkundige geschiedenis der achttiende eeuw, en opende tegelijk eenen nieuwen tijd in de negentiende eeuw.» Hij onderscheidt drie tijdperken. Het eerste doet hij eindigen met het jaar 1795, het tweede met 1818, het laatste in 1831.

<Het is met deze indeeling gesteld als met zoovele andere zegt Kollewijn, er valt wel iets voor te zeggen, zij is niet gemakkelijk door een betere te vervangen en toch — is zij tamelijk willekeurig en verre van noodzakelijk. De Clercq noemt de drie tijdvakken het erotische, het poëtischwijsgeerige en het gispend-christelijke. Maar erotische verzen komen evenals gispende-christelijke ook in het tweede tijdvak, wijsgeerige ook in het derde voor. Zoekt men naar andere indeelings-principes, men komt tot nog minder resultaat.» Hier moet ik opmerken, dat meer moeite behoort gedaan te worden, Bilderdijk's ontwikkelingsgang gade te slaan. Vormt de vleug van geluk onder koning Lodewijk niet een afzonderlijk tijdperk, dat van Bilderdijk's hoogsten bloei? Hij maakt dan zijn grootste stukken, De Ziekte der geleerden en De Ondergang der eerste Wareld, de Floris V, Willem van Holland, Kormak, De Mensch naar Pope, Poëzij, De Ode aan Napoleon, 's Konings komst tot den troon, Leydens ramp, enz. De dichter wordt daarop plotseling in zijn vaart gestuit; men krijgt onder Napoleon het tijdperk der nawerking, het wijsgeerige treedt sterk op den

Sluiten