Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dankbaar aanvalspunt, waarvan hij ook gretig gebruik maakt, en waardoor hij zich hevig wreekt op den de natie verwijtenden Da Costa. <'t Gebed» beschouwt Huet slechts uiterlijk, vandaar dat het hem ijskoud toelijkt. «Het zachte koeltje dat weleer op Horeb suisde» mist hij bij Bilderdijk, hij had het elders kunnen vinden. «De dichter houdt niet het meest van lenteknoppen of groene velden; hij wandelt bij voorkeur met zijne verbeelding over gloeiende asch.» Bilderdijk is in waarheid een der heftigtse dichters, zoo niet de heftigste, die ooit geleefd heeft.

Een andere aanmerking is deze: Te beginnen met het jaar 1795, 's dichters negen en dertigste levensjaar, ontmoet men in Bilderdijk's nu uit elkander genomen dichtbundels, met name in de onderscheiden voorredenen dier bundels, de met telkens grooter aandrang herhaalde betuiging van zijn naderend einde. Huet haalt een reeks aan.

Van de Ziekte der Geleerden schrijft hij: <Als dichterlijk geheel is het een organisme ja, maar een met stroeve en krakende scharnieren; een dier organismen gelijk men ze in het piepend wassenbeeldenspel vertoont. De kunstmatige aaneenschakeling der deelen is bijna nergens of met bevalligheid gemaskeerd, of bestreken met dat zacht vernis dat beurtelings aan het waas van rijpe druiven of aan de donzige huid van blozende perziken herinnert.» De helft hiervan is waar. Voorts: «Schrap de vaart naar het doodenrijk weg en gij berooft het gedicht van tweehonderd zijner fraaiste verzen. Laat daarentegen deze episode aan hare plaats, en, zoo leeren u de door ons gecursiveerde woorden, iedere schrede des dichters op dien onderaardschen togt wordt een door hemzelf erkende misstap.» Dit pleit echter lang niet tegen Bilderdijk's kunst.

Terecht laakt hij: «dat (duldeloos) vijftal brieven van Hagar aan Sara, van Jacob aan Ezau, van Ezau aan Jacob, van Jacob aan Rachel, van Rachel aan Jacob, tezamen niet veel minder dan zeshonderd en vijftig verzen lang.» Het is offeren geweest aan de achttiendeeeuwsche mode.

De invloed van dit hoofdstuk over Bilderdijk op de publieke meening kan niet hoog genoeg worden aangeslagen. Zeer onsympathiek wordt in deze bijna honderd bladzijden de dichter het publiek voor oogen gesteld. Het wendde zich voortaan geheel van Bilderdijk af en achtte ook zijn minderheid als dichter bewezen. Toch komen in deze studie eenige lofspraken voor, doch zij zijn gelijk Kollewijn zegt, bij druppels toegemeten, en bovendien ongenietbaar door de aanmerkingen:

Op blz. 3 noemt Huet Bilderdijk «een onmiskenbaar genie, eene door haar lijden en hare tegenspoeden zoo poëtische persoonlijkheid, de dichter van zoo menig onsterfelijk vers.» Blz. 31: «hij is een groot dichter; de

Sluiten