Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootste misschien op wien onze letterkunde te wijzen heeft.» Blz 46«Oorspronkelijkheid is eene van Bilderdijk's groote verdiensten. Hij' was een nieuw man in onze litteratuur, met name in de geschiedenis onzer versificatie. Op dit gebied heeft hij letterlijk geïnaugureerd. Deze zijn kroon is onvervréémdbaar.»

Later spreekt Huet in zijn novelle Doctor George van «Bilderdijk's reusachtige ideeënwereld.»

Huet zou een correctief geven op zijn eigen werk, een betere waar-

» mCUW h00fdstuk- Het kwam er niet toe. In Van der Palm

en Bilderdijk schrijft hij slechts oppervlakkig over Bilderdijk's kunst Daar door de studies van Gorter en Jacob Geel toch eenigszins het besef van schuld by hem ontwaakt was, herstelde hij eenige zijner fouten in zijn studie over Geel en schreef daar enkele werkelijk belangrijke bladzijden.

et een en ander volgt hieruit (ongelukkig verscholen in een studie over een ander letterkundige).

«Wanneer men al de feilen in Bilderdijk's leven uitgewischt, uit zijne dichtwerken het onbeduidende of gerekte of gemaakte verwijderd; in zijne neven de onwaardige klagten geschrapt, zijne historische en filosofische en linguïstische schriften van hunne personaliteiten en hunne magtspreuken gezuiverd heeft, dan houdt men een geest over, die geheel alleen op de vijf faculteiten eener hoogeschool gelijkt. En de eenheid te midden dier verscheidenheid. Zij heeft bestaan in een voorgevoel, even magtig als de geest zelf, in welken dat gevoel sluimerde. Uit den boezem van elk volk at met te eenemaal une nation êteinte is, staan van tijd tot tijd mannen op' die in hun persoon een geheele toekomst, maar ook mannen, die een geheel verleden vertegenwoordigen; en niet vertegenwoordigen met lijdzaamheid met onderwerping. Ware Bilderdijk een andere profeet Jeremia geweest, hij zou zich vergenoegd hebben, op de puinhoopen van het verwoest Jeruzalem, gelijk hij ook menigmaal gedaan heeft, klaagliederen aan te heffen. Doch zijn hart was te vol, om alleen langs dien uitweg lucht te kunnen bekomen. Hij wilde wel klagen, maar ook aanklagen, ook beschuldigen en verwijten. Nu eens zocht en vloekte hij in vroeger eeuwen, of in de eerste helft van die. wier tweede helft hem zag geboren worden, de vaders van het verderf, welks voldragen vrucht zijne oogen aanschouwden Dan weder zag hij zijne tijdgenooten aan, en vroeg hun me vammenden blik, of zij dan altegader met waanzin en blindheid ges agen waren. En naarmate de goederen, voor wier behoud hij streed van eene edeler soort waren, toonde hij zich in den strijd vuriger, stouter in het aanvallen, hardnekkiger in het verdedigen, onverschilliger in de keus der wapenen. Het gold zijn land, zijn volk, zijn vorst, zijn geloof,

Sluiten