Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of mat zich steigrende af in dartle tuimelkringen,

En machtloos stort zij néér in 't midden van uw zingen.

Neen I volgt haar nimmer, nooit I....

Da Costa aldus:

Verbeelding, grijpend om zich heen,

Om voedsel voor die vlam te vinden,

En machtig het Heelal tot één,

Eén enkel denkbeeld te verbinden I

De tuit, die zich haar kracht vergairt,

Is beide Toekomst en Verleden,

Haar buit, Natuurs verborgen zeden,

Haar buit, de hemelen en de aard!

Bilderdijk verder stelt vooral den eisch, dat de verzen tezamen ttnt melodie vormen, Da Costa, dat zij een harmonie vormen. Tot de eigenschappen der poëzij rekent Da Costa bovendien Heldenmoed, voornamelijk in den zin van Zedelijken moed i).

Hiertegenover plaats ik het volgende uit de studie van Van Hoogstraten over Alberdingk Thijm: <Het bezielend vermogen openbaart zich in Bilderdijk's meesterstukken op een geheel bijzondere wijs. Het doorblaakt de scheppingen van zijn geest maar wordt ook zelve door dien geest tot een scheppende kracht geadeld. Hoe onweerstaanbaar het gevoel des dichters moge vlammen en bruischen, de harmonie der deelen geeft alom in zijn kunstgewrochten getuigenis van een alles overschitterende schoonheid des geheels. Bilderdijk beheerscht altijd zijn stoute verbeeldingskracht en deze eerbiedigt al zijn wenken. De fantasie is bij hem een gehoorzame dienares, wie het nooit vergund wordt aan gevoel of verstand te gebieden. Zij voert sieraden aan, duizenden, van allerlei schittering en kleuren; diamanten en goud alsof voor haar alles om niet verkrijgbaar ware; doch Bilderdijk wordt nooit verblind door haar schatten. Zijn keus is de keus eens konings. Dat gebiedend vermogen van Bilderdijk's poëzie haar koninklijke geest is voor Alberdingk Thijm een tooverkracht geweest, waar hij niet aan weerstaan kon. Da Costa was hem een stout verheven dichter, die als een adelaar naar den hemel steeg, maar als een adelaar die slechts ééne vaart scheen te kennen. Bilderdijk zweefde voor zijn oog

i) Bilderdijk Heldenmoed in iederen zin, zie o. a. de Ode aan Napoleon en De Onsterflijkheid der Dichtkunst: „Wees (Dichter!) wees hetgeen gij zingt!" en vele andere gedichten.

Sluiten