Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dertigste jaar (?) tot het christendom, het tegenovergestelde beginsel. Bilderdijk heeft zijne tijd- of bondgenooten (in enkele opzichten) met uitzondering van Lessing en Kant, nooit gekend.

Al wat lieflijk is en welluidt, zegt Pierson elders, was en is de leus van het réveil. Een dichter is haar vader; een ander dichter hare volkomene uitdrukking. Hij is natuurlijk bestemd haar te doen ophouden; want een beweging leeft slechts, zoolang zij hare volkomene uitdrukking in een mensch nog zoekt. Het was een godsdienstig letterkundige beweging, die, getrouw blijvende aan de protestantsche kleur, de in Nederland afgebroken traditie van middeleeuwsche mystiek weder opvatte en praktisch de les herhaalde: er zijn meer dingen tusschen hemel en aarde dan waarvan een zekere wijsheid droomt. Verzen, als Pierson ten bewijze aanhaalt, zouden blijken den mannen van het réveil uit het hart gegrepen te zijn. Men heeft slechts Jonckbloet's Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde in de achttiende eeuw achter elkander door te lezen, om al hun waarde, immers hun betrekkelijke nieuwheid te beseffen.

Over Bilderdijk's kunst, zegt hij: Niet dan bij uitzondering heeft Bilderdijk voortreffelijk proza geschreven, een schitterende proeve in het nabericht op de Ziekte der Geleerden: de periode die aanvangt met: «Men beklaagt zich over de armoede of 't gebrek eener taal enz.»

Over zijn poëzie: Een nieuw gezichtspunt, een vingerwijzing, een geniaal vermoeden; het oogenblikkelijk ruischen van een vleugelslag, die uzelf van hemellust doet beven; een verrukkelijke maat, die plotseling en telkens weer uw innerlijkst aan het zingen brengt; een stout en treffend beeld, dat u mede doet zeggen: poësie is onze ware taal; verzen, die u het vergezicht openen in een wereld van hooge bespiegeling of u inwijden in ongekende teederheden van gevoel; en boven dat alles gedurige sporen van den strijd, door een menschelijke ziel gestreden, ter verovering, haast ieder dag op nieuw, van haar edelst geloof: ziedaar wat men bij hem vindt en telkens zich weer opgewekt voelt te zoeken. In die worsteling , die zelfbegoocheling en zelfgevlei uitsluit, ligt voor mij zijn grootste tooverkracht.

«Bilderdijk mocht van zichzelf getuigen, dat zijn «geheele leven buiten

der plichtsbetrachting, welke hem in dat stelsel aantrok. Maar deze sympathie voor Zeno en zijne school was meer schijn dan wezen. In den grond bestond er altijd tusschen hem en deze wijsbegeerte een diep verschil; ten eerste had Bilderdijk van zijne jeugd af een diep besef van de afhankelijkheid aller schepselen van God, en ten andere was zijne gevoelige natuur op Stoïsche apathie hoegenaamd niet aangelegd. Zelf heeft hij dit later meermalen, vooral in zijn Stoïcisme erkend.

Sluiten