Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'k Heb een halve mate meel,

Ons gewoekerd uit de keel.

Dit lijkt mij sterk en treffend gezegd. Kollewijn had beter voorbeelden kunnen vinden i). zooals de gezellige zwempartij van vijftien milliard menschen op de zee, met een drijfhout: Gods genade onder den arm, beschreven in Arion, een vers dat aantoont, hoe Bilderdijk vaak te los van pen was, wanneer hij honderden malen zijn gemoed trachtte uit te storten. En vlak hierop volgt het heerlijk gedicht: Licht en Schaduw, een meesterstukske! dat ik elders bij Novalis vergeleek.

Het proza van Bilderdijk behandelt Kollewijn in een noot!! (blz. 478). In een andere noot (blz. 480) zegt Kollewijn: Een afzonderlijke studie over Bilderdijk's invloed op onze literatuur ware zeer gewenscht.

Hetgeen hij zelf ieder in een afzonderlijk hoofdstuk had moeten behandelen is i° de versificatie van Bilderdijk; Kollewijn erkent, dat Bilderdijk gelijk Huet zegt, op het gebied der versificatie letterlijk geïnaugureerd heeft: «onafzienbaar is de afstand, die Bilderdijk in dit opzicht van zijn voorgangers scheidt. Hij was zich daarvan bewust; ver voelde hij zich verheven boven hen «wien de nachtwakers klep tot model der versificatie diende.» Voelde Kollewijn dan zelf de leemte niet in zijn werk ? 20 Bilderdijk als vertaler; dit had niet mogen ontbreken, vóór noch ni hem is een Nederlandsch dichter in dit opzicht zóó belangrijk geweest 30 zijn verhouding tot de natuur, zijn beeldspraak. Voorts laat Kollewijn Bilderdijk's humor haast onbesproken.

Ik ben bijkans ten einde met mijn aanmerkingen. Zeer te waardeeren valt het, dat Kollewijn een groot hoofdstuk heeft gewijd aan Bilderdijk's geloof en philosophie. Ik moet daar verder naar verwijzen. Goede begrippen heeft hij omtrent Bilderdijk's voornaamste werken: het epos (dat hij echter afzonderlijk had moeten bespreken). De Geestenwareld, De Ziekte der Geleerden, De Dieren enz. Op vele andere der edelste verzen liet hij echter het licht niet schijnen, of noemde ze niet, terwijl het geheel onjuist is, dat Bilderdijk zijn laatste jaren «een versuffende grijsaard» werd. Op zijn een-en-zeventigste jaar integendeel bereikte zijn meest zuivere lyriek den hoogsten bloei. Dat is anders!

Al onze opmerkingen nemen niet weg, dat Kollewijn een hoogst verdienstelijk werk heeft geleverd. Zijn boek steekt ver uit boven De Mensch

1) Dwaas ook noemt Kollewijn de eindregels van Voorbestemming des Christens, en Kloos nam dit van hem over. Scharten laakte terecht deze veroordeeling en Tergeleek het vers rechtvaardiger bij de befaamde primitieven

Sluiten