Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

classieken op zijn ontwikkeling. Met hartstochtelijke liefde bestudeerde hij in zijn jongelingsjaren de werken van Homerus, Sophokles, Pindarus, Theokritus, Anakreon, Catullus, Horatius, Ausonius, Boëtius. Toch stelde hij onze groote zeventiende-eeuwsche auteurs zeer hoog. Vondel werd door hem boven Milton geplaatst; hij noemde hem «den grootsten dichter,» zijn «meester», (Cats noemde hij zijn Ennius, v. E.) Zéér jong nog had hij Cats werken leeren kennen, (in zijn eerste levensjaren), die hij om den inhoud steeds, maar in hun geheel vooral in later jaren heeft gewaardeerd. Ook Poot rekende Bilderdijk tot zijn voorgangers. Van de Franschen las hij vooral Corneille en Racine graag. Maar geenszins «den schandelijken Molière.» (Hij had een bijzonderen hekel aan Tartuffe). Merkwaardig is het, hoe Bilderdijk zich voelde aangetrokken tot J. J. Rousseau en toch ook telkens weer van hem werd afgestooten. Rousseau en Bilderdijk zijn «verwandte Seelen», maar hunne meeningen vooral omtrent den godsdienst, liepen gewoonlijk zóó uiteen, dat zij nooit medestanders hadden kunnen worden. Van al wat duitsch was, gevoelde Bilderdijk een innigen afkeer. Toch was hij niet blind voor het talent van sommige onzer Oostelijke buren. Van verscheiden duitsche dichters heeft hij verzen vertaald. Lessing schatte hij hoog; Göthe, <de(n) verdienstvolle(n) Göthe,» eveneens. Hij schold op Schiller en op Klopstock. De engelsche literatuur was meer bij hem in tel. Chaucer, Spencer, Milton (op wiens snaren rasso's geest rust, v. E.), Scott, Southey. Shakespeare waardeerde hij ten deele. In Byron vond hij, bij al diens genie, «iets aanstootelijks.» Andere literaturen laat Kollewijn (ten onrechte) onbesproken. «Bilderdijk was niet kieskeurig, waar het vertolkingen gold. Oud of nieuw, sober of overladen, alles was van zijn gading. Bilderdijk betreurde, dat de dichtkunst in Nederland geen bestaan kan verschaffen.»

Over het karakter van Bilderdijk's poëzie: Wat in zijn verzen aanstonds treft, is de ongeëvenaarde woordenrijkdom. Verouderde uitdrukkingen heeft hij doen herleven, woorden uit de volkstaal in de schrijftaal ingevoerd, nieuwe beteekenissen aan bestaande termen gegeven, ontelbare samenstellingen gesmeed. Onbegrijpelijk is die macht over de taal bij iemand, die èn in zijn jeugd èn op later leeftijd betrekkelijk weinig in de maatschappij verkeerde, zeer zelden in aanraking kwam met het volk, en liefst stil op zijn studeerkamer zat.

De gedachte, dat een hooger wezen, hetzij geest, hetzij godheid zich van hem bediende om verzen uit te storten, wordt wel niet rechtstreeks door hem uitgesproken (?) i) maar is hem toch blijkbaar niet vreemd. Som-

I) Deze gedachte is door hem voor de dichters in het algemeen vaak genoeg uitgesproken.

Sluiten