Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nauwkeurigheid, innigheid, zwier, schittering en macht door eigen arbeid te mogen bevorderen, een voorrecht is dat niemand kan te beurt vallen, zonder zich voor den geest te brengen wat Vondel en Bilderdijk hebben gedaan voor dat onwaardeerbaar instrument, evenzeer bron als maatstaf onzer volkswaarde.

Met deze woorden nemen wij tevens van Pierson afscheid, om ons te wenden tot een geheel anderen geest, den dominicaan van Hoogstraten. In een studie even voortreffelijk van inkleeding als inhoud behandelt hij Da Costa's geschriften (met uitz. van Bilderdijk Herdacht) over Bilderdijk. Als kritikus was Da Costa dichter, zegt hij, scheppend dichter vaak, maar ook niets dan dichter. Daarom behaalde hij de schoonste lauweren, waar hij de wording en ontwikkeling van Bilderdijk's epos mocht verklaren. Doch Da Costa toont zich boven alle uitdrukking zwak wanneer hij een oogenblik buiten zijn gewonen dichterlijken gezichtskring moet treden. Dit is de schaduwzijde van zijn kritiek. Hij geniet Bilderdijk's poëzie niet langer wanneer hij haar, zoo ik het aldus mag uitdrukken, niet meer kan nascheppen. Hij mist al te zeer dien diep wijsgeerigen zin, welke een hoofdeigenschap moet zijn in allen, die een omvangrijk kunstwerk in zijn geheel willen doorschouwen. Voeg daar nu nog bij, dat de omvang van Da Costa's wetenschap zeer beperkt was. Da Costa was er zich niet van bewust, dat hij de meeste voortbrengselen der dichtkunst toetste aan het ideaal dat hijzelf meende te kunnen bereiken. Hij waande te goeder trouw, dat er honderden aanrakingspunten waren tusschen zijn dichtgeest en dien van Bilderdijk. Van dit denkbeeld doordrongen, trad hij, zijn meester beoordeelende, bij de meeste uitspraken in eigen gemoed. Lyrisch dichter van den hoogsten rang, maar slechts op één gebied; op dat ééne gebied scheppend kunstenaar boven duizenden; was het vreemd dat hij op datzelfde gebied als kritikus alles poogde te koncentreeren ?

Over De mensch en dichter W. Bilderdijk is van Hoogstraten zeer slecht te spreken. Daar zijn in dit boek ontegenzeggelijk eenige warme bladzijden, uit de edelste ader gevloeid van Da Costa's hart, maar deze stellen den lezer niet schadeloos voor het ziellooze van dit boek als geheel.

Bijna nergens wandelen wij aan des schrijvers hand in een verkwikkende morgenlucht, in een bloeiend en geurend veld, in een frisch en krachtig woud. Hij is nergens een geniale wegbereider voor een hooger danflauwkonventioneele kritiek. Hij grijpt de gelegenheid niet bij de lokken om het te zijn, hoe schoon zij zich aanbiedt. De mensch en de dichter is een boek waardoor geen edele geestdrift leven doet stroomen. Een lichaam, welks oogen niet stralen van de schoonheid der ziel. Bij een eersten

Sluiten